Soort van de maand

April: Oranjetipje, Anthocharis cardamines

‘Als je nu heel stil blijft zitten dan gaat ie misschien wel op je hand zitten.’ Als natuurouder doe je er natuurlijk alles aan om je kind zoveel mogelijk ‘magic moments’ in haar leven te laten ervaren. Op een prachtige ochtend in het voorjaar van 2013 lukte dat wonderwel. Het mannetje van een oranjetipje vloog verschrikt op, toen wij door de bloemrijke beeklanden van het Oude Diepje slenterden. Het vlindertje fladderde even rond en landde daarna precies  op mijn dochter haar hand, om hier verder op te warmen. Vol verwondering en doodstil keek ze naar een van de mooiste vlinders van het voorjaar.

IVN Hoogeveen Bart Pijper oranjetipjeAls je ook wilt genieten van het oranjetipje, stap dan eens van je fiets als je in weilanden, omzoomt door bomen en struiken, massaal het zacht roze van bloeiende pinksterbloemen ziet. De bloemen van dit plantje zijn namelijk topfavoriet bij onze Soort van de maand. Dat is niet alleen voor het nectar. Het witte vrouwtje zet namelijk juist haar eitjes af op dit plantje, omdat de rupsen gek zijn op het zaad. Altijd één oranje eitje per plant, zodat er geen concurrentie is. De eitjes scheiden een bepaalde geur af, waardoor andere vrouwtjes verder zoeken naar een geschikte bloem. Je kunt het jezelf ook wat gemakkelijker maken door zelf wat judaspenning of look zonder look in eigen tuin te zaaien. Ook hierop zetten ze namelijk vaak hun eitjes af. Binnen twee jaar na het zaaien zag ik opeens oranjetipjes voor ons eigen kamerraam langs vliegen.

Als de rups zich heeft volgevreten gaat deze op zoek naar een veilig plekje in het struikgewas om daar te verpoppen. De pop overwinterd en afhankelijk van de temperatuur ontpopt de vlinder zich omstreeks deze maand. De mannetjes met hun karakteristieke oranje vleugeltipjes zijn ongeveer twee weken eerder te zien dan de witte vrouwtjes. De vrouwtjes zijn op het eerste gezicht lastig te onderscheiden van koolwitjes maar wanneer je de onderkant van de vleugel of haar diep in de ogen kijkt, dan is er geen twijfel meer mogelijk. Het prachtige marmergroene is onmiskenbaar. De mannetjes zijn echter niet zo slim en vliegen alles achterna wat fladdert.  Als een andere soort vlinder, of een vrouwtje dat al gepaard heeft, hier niet van gediend is, zetten die hun achterlijf omhoog. De boodschap is duidelijk; wegwezen!

IVN Hoogeveen Bart Pijper oranjetipjeTekst en foto's: Bart Pijper
 

Maart: Ringslang, Natrix natrix

De Ringslang de onschuld zelf.

De ringslang is de grootste slang van Nederland en kan wel meer dan een meter lang worden. Het lichaam is olijfgroen, bruin of grijs en bedekt met vlekjes die aan de zijkant vaak een strepenpatroon vormen. Vlak achter de kop bevindt zich een ring die vaalgeel tot oranje is gekleurd waaraan de slang zijn naam ontleent. De pupil is rond. Bij de adder is de pupil verticaal vergelijkbaar met een kat.

IVN Hoogeveen Johan Scheeres ringslang
Voorkomen en verspreiding.
De ringslang komt in heel Europa voor. In Nederland in alle provincies boven de grote rivieren en in het zuidpuntje van Limburg.

In Drenthe leven de ringslangen vooral in natuurgebieden met vennetjes met heide of ruige vegetatie, maar ook volkstuinen bij water of grote tuinen met vijvers erin.

Het voedsel van ringslangen bestaat voor het grootste deel uit het eten van kikkers of padden, maar als die in het gebied niet veel voorkomen eten ze ook muizen, kleine watersalamanders, jonge vogels en vissen. De ringslang heeft aan 8 padden per jaar genoeg te eten gehad.
De prooien worden levend naar binnen gewerkt en kunnen bijna niet meer ontsnappen door de kleine naar achterstaande tandjes. Als men een slang zou beetpakken en hij zou bijten dan nemen wij dat waar als grof schuurpapier wat stroef is en geen schade aanricht. Hij kan ook een stinkende stof uitscheiden die niet lekker ruikt.

In de winter kun je nooit een ringslang waarnemen want dan zijn ze in winterrust op een droge vorstvrije plek zoals een oud hol van een mol of muizen. Grote stapels stenen of hout zijn ook prima plekken om te overwinteren. In het voorjaar als de temperatuur boven de 15 graden is worden de slangen actief en gaan op zoek naar een plekje in de zon om op te warmen zodat ze kunnen jagen op prooidieren.

Ringslangen zijn niet gemakkelijk waar te nemen; ze zijn alert en bij onraad verdwijnen ze snel in de vegetatie. Om ze wel te zien te krijgen moet het een mooie zonnige dag zijn in het voorjaar, het liefst april, bij een temperatuur van 18 tot 22 graden. Bij het zoeken moet je rustig lopen en goed voor je kijken langs de randen van de vegetatie waar de zon op schijnt en waar geen wind op waait.

De paring vindt in de maanden april - mei plaats en na paring zoekt het vrouwtje vooral de warmte op van een broeihoop waar ze de eieren kan afzetten omstreeks eind juni, juli.

De eieren worden door de warmte in de broeihoop uitgebroed. Een vrouwtje legt ongeveer 20 tot 40 eieren. Deze zijn 2,5 tot 3,5 cm lang en hebben geen harde schaal maar een elastische schaal.

IVN Hoogeveen Johan Scheeres broeihoopEen broeihoop is een hoop van ongeveer 3 meter bij 3 meter en 150 cm hoog. Het materiaal moet organisch zijn en het liefst uit het gebied komen, zoals gras, blad, takken en dikke takken. Door het verteren van het organisch materiaal ontstaat er broei en zo worden de eieren uitgebroed.

Door de broeihopen in het najaar of voorjaar weer om te zetten kan men onderzoeken of er ook eischalen aanwezig zijn van het seizoen ervoor en zo kan je zien of nog ringslangen actief zijn. Door het tellen van de eischalen weet je of de populatie groeit of niet.

Een jonge ringslang die net uit het ei gekropen is heeft een lengte van 15 tot 20 centimeter, als deze ligt te zonnen lijkt het wel een zwarte naaktslak.

Vrouwtjes ringslang zijn het grootst tot 125 cm en vrij dik, de mannetjes zijn nooit zo lang en niet zo dik. Ringslangen gaan veel op pad en kunnen grote afstanden afleggen; ze zijn zeer mobiel en liggen niet vaak op dezelfde plaats te zonnen.

IVN Hoogeveen Johan Scheeres eiZe kunnen ook zeer goed zwemmen; zowel boven als onder water. Onder water kunnen ze niet goed zien en jagen.

IVN Hoogeveen Johan Scheeres ringslang
Al met al een mooie slang uit onze streek die absoluut ongevaarlijk is en alleen in rustige natuurlijke omgevingen voorkomt. Kom je er toch een in je vijver of laars tegen, breng de slang naar de vijver of naar het bos in de buurt.

Kom je ook zoeken naar eischalen van de ringslang op zaterdag 2 maart 9.00 uur Oude Kene?

Tekst en foto's: Johan Scheeres

Februari: Gaai, Garrulus glandarius

Schrouwakster in het Steenbergerpark

Hij heeft zijn voorraad eikels overal verstopt en weet de provisiekasten altijd terug te vinden. Voedsel genoeg voor de gaaien in het park en de wijde omgeving. Schrouwakster zeggen we in Drenthe, want wat kan een gaai tekeer gaan. Je hoort het gekrijs van verre. Toch behoort hij tot de zandvogels. Nog een maand en we horen van deze vogel de meest vreemde geluiden: gillen, janken, miauwen, piepen en krijsen. Waarom ze dat in het voorjaar doen, is niet duidelijk. Het lijkt of het ze in de bol is geslagen.

Gaaien zijn kraaien, net als zwarte kraai, roek, kauw en ekster. Ze komen in heel Europa voor. Type op Google eens ‘Kukaj.sk’ in en klik in de bovenste balk op ‘Spevavce II”. Je ziet een voerplek in Slowakije, gemaakt door Spravá Národného parku Vel’ká Fatra. Dat betekent: Beheer Nationaal Park Grote Fatra. Daar is een vaste camera opgesteld die live beelden uitzendt. Er komen gaaien, bonte spechten, groene spechten, kool- en pimpelmezen en eekhoorns. De voerplek ligt dicht bij Martin, de partnerstad van Hoogeveen.

In alle landen waarin de gaai voorkomt, zijn jagers gek op de blauwe veertjes op de vleugels. Omdat gaaien worden gezien als rovers die eitjes uit nesten van kleine zangvogels stelen, worden ze afgeschoten. Maar het is voor jagers meer het idee ieder jaar een paar nieuwe blauwe veertjes op de hoed te hebben, dan dat ze actief gaaien vervolgen.

In onze tuin trekt een gaai pinda’s uit het netje en verstopt ze in de klimopheg. Intelligente vogel en handig. Zelfs als er sneeuw ligt, weet hij de voorraadplekken terug te vinden. Zo komt hij perfect de winter door en begint eind maart met de voorbereidingen voor nestbouw, paring en voortplanting.

IVN Hoogeveen Hero Moorlag gaaiIVN Hoogeveen Hero Moorlag gaai tuinIVN Hoogeveen Hero Moorlag gaai vfFoto1 Gaai park: Gaai in het Steenbergerpark.
Foto2 Gaai tuin: Gaai in een tuin bij Dalerpeel.
Foto3 Gaai VF: Beeld van vaste camera bij voerplek Spevavce II in Slowakije.

Tekst en foto's: Hero Moorlag

Januari: Pestvogel, Bombycilla garrulus

Voor vogels in de winter maken we graag ruimte. In de tuin of balkon. We kopen zaadjes, potten pindakaas, rijgen pinda’s en hangen vetbollen op. Dit alles om ervoor te zorgen dat de vogels met een volle maag de winter doorkomen. Daarbij is het een hele leuke bezigheid om de capriolen op de voedertafel te bekijken. Ruzie maken kunnen vogeltjes als de beste, territorium verdedigen en vechten voor het lekkerste hapje. Tot ineens een sperwer in de buurt komt en weg zijn alle kleine vogeltjes. Vogels in de winter, de kerstkaart met het roodborstje. Het is niet weg te denken uit ons bestaan en we besteden er tijd aan. Dat het niet zo goed gaat in de natuur dat hebben we in 2018 allemaal wel gehoord of gelezen. Dat geldt dus ook voor de vogeltjes. Ze hebben het maar moeilijk. Door ziektes, droogte, kou en te weinig voedsel, ze hebben het moeilijk en in de tellingen is dat zichtbaar.

De vogel die in de maand januari in de schijnwerpers staat is de pestvogel. Nee, geen pestvogel die je pest maar een prachtige vogel die soms in koude winters naar Nederland trekt om zich te goed te doen aan de bessen die dan nog over zijn. Ze zijn bijvoorbeeld dol op de bessen van de Gelderse roos. Vooral in het Noorden van Nederland kan deze vogel zich, in parken en tuinen waar veel bessen te halen zijn, ophouden. De vogels vliegen soms door naar België en Frankrijk. Vanaf februari tot april verdwijnen ze weer uit het land.

De pestvogel woont in bosrijke gebieden van Scandinavië en de dichte taiga in Noord-Rusland. Daar waar de winters streng zijn en als er dan weinig bessen zijn komt de pestvogel naar Nederland. De naam pestvogel is ontstaan in het verre verleden. Zijn verschijning zorgde ervoor dat in de winter, als de weerstand van de mensen het laagste was en veel mensen ziek werden, de pestvogel als verspreider van ziektes werd gezien. Zo ontstond de naam pestvogel. Maar het is natuurlijk een fabel. De pestvogel is vooral heel mooi om te zien. Zowel het mannetje als het vrouwtje heeft prachtige kleuren en een opvallende kuif. De soort lijkt op de spreeuw.

De vogel broedt niet in Nederland maar is een invasievogel. Wel eentje van de vier mooiste invasievogels. De broedgebieden van de pestvogel liggen rondom de noordpool. De meeste broedparen leven in Rusland, Zweden en Finland. In de broedtijd eten de vogels insecten. Ze vangen deze in de vlucht als een vliegenvanger. De meeste jaren zijn pestvogels schaars in Nederland. Maar ieder jaar wordt er wel waarnemingen doorgegeven.  Wie weet ga je deze winter de pestvogel zien, je weet nu waar je op moet letten.

December: Ree, Capreolus capreolus

Reebokken werpen in december hun gewei af.
De bronst van reeën begon eind juli en eindigde in september. De reegeiten zijn beslagen na een wilde achtervolging. In december is de vrucht in hun baarmoeder vuistdik. Reeën hebben een voordraagtijd. Tijdens de wintermaanden, wat voedsel betreft de slechtste periode, staat de groei van de vrucht stil. Eind maart of begin april, wanneer er verse kruiden gaan groeien, ontwikkelt de vrucht zich snel. De kalfjes worden eind mei geboren.

In de wintermaanden leven reeën in sprongen. Een sprong van vijf wordt in Drenthe het meest gezien. Deze sprong bestaat uit een leidende reegeit, twee kalveren van dit jaar, een smalree of jonge bok en een oudere bok. Reebokken hoeven nu niet meer een territorium te verdedigen. Ze werpen hun gewei af. Beenvretende cellen bij de kop maken de geweistangen poreus. Ze worden daar bros. De bok tikt tegen een tak aan en de geweistang breekt af. Dat gaat gepaard met een beetje bloed. Na enkele dagen is de bloedplek bedekt met een nieuwe huid. Hierin groeit een nieuw gewei. De tweede geweistang volgt een paar dagen later. Je vindt altijd slechts één geweistang. Van de dode reebok op de foto heb ik beide geweistangen afgehaald. Dan heb je een doublet. Zesenders werpen hun gewei begin december af, gaffelbokken volgen eind december en spiesbokjes kunnen in januari nog met hun nietig spiesgeweitje rondlopen. Uiteindelijk krijgt iedere ree een nieuw gewei vanaf februari. En weer eerst de zesenders, dan de gaffelbokken en daarna de spiesbokjes.

IVN Hoogeveen Hero Moorlag reeFoto boven: Doublet van een zesendergewei.

IVN Hoogeveen Hero Moorlag reeFoto boven: Verkeersslachtoffer, een zesender.

Tekst en foto's: Hero Moorlag
 

November: Egel, Erinaceus europaeus

De egel is een zoogdier, eet insecten en leeft in schemer en nacht. Het is dan ook een nachtdier, daarom zien we ze zo weinig. Als we ze overdag zien dat is dat vaak niet een goed teken, ze zijn dan meestal in nood. Het gevaar dreigt altijd voor de egel want deze legt aardig wat afstanden af, in de nacht, om voedsel te vinden. Hierdoor zien we toch vaak een doodgereden egel.

IVN Hoogeveen egelHoe komt het toch dat een egel ‘oh’s en ah’s’ bij mensen oproept ondanks dat het niet echt een aaibaar beestje lijkt. Met 7000 tot 8000 stekels op de rug lijkt het niet een echte vriend te kunnen worden. Toch trekken we ons het lot van de egel aan. Ook hier in de buurt is  egelopvang die verdwaalde en verweesde jongen opvangen om ze de winter door te helpen. De egel komt voor in bijna alle landschappen, tuinen, bosranden, struweel en loofbos. Zolang er schuilplaatsen zijn en niet alle blad is aangeharkt dan redden ze zich. De egel komt bijna overal voor in West-Europa.

Een egel is een zoolganger. Dit betekent dat hij plat op zijn voetjes loopt (egels hebben 5 tenen). Als je de egel ziet lopen lijkt het alsof hij heel dichtbij de grond zit. Dit is maar schijn. De egel houdt bij het zoeken naar voedsel zijn pootjes wat krom onder zijn lijfje, maar zodra de egel ergens voor wegloopt komt hij omhoog, staat dan rechtop en kan heel hard wegrennen.

Als nachtdier kan de egel slecht zien, ze kunnen veel beter ruiken. Ze ruiken hun jongen, voedsel en soortgenoten. Egels hebben een gevoelig gehoor. Ze kunnen in elkaar krimpen bij klikkende of piepende geluiden. We kunnen ons oprecht afvragen of een egel in een stadspark wel blij wordt van alle stads en verkeersgeluiden. De snorharen voelen bodemtrillingen, verkeer en vijanden. Egels hebben een extra zintuig, dit is een orgaan wat tussen gehemelte en neusholte ligt. Het heet het orgaan van Jacobsen. Met dit orgaan worden nieuwe luchtjes onderzocht.

Egels zijn echt luidruchtige eters. Ze smakken en snuiven erop los. Smakelijke rupsen, larven, wormen, pissebedden, slakken, mieren en spinnen. Zelfs kikkers, padden, bijen en wespen worden gegeten. In de nazomer en herfst eten ze ook wel bessen. Na het ontwaken uit de dagslaap snuffelt de egel voortdurend rond om voedsel te vinden.

Egels houden een winterslaap. Ze doen dat het liefst in een holletje dat bekleed is met een dikke laag bladeren. Als je eigen tuin geschikt is voor egels of je ziet ze eens in de omgeving dan is het heel gemakkelijk om een egelhuis in de tuin te maken. Eind november kruipen volwassen egels ‘onder de wol’ en de jongen wachten daar meestal mee tot eind december. De lichaamstemperatuur daalt behoorlijk. Van 35,5 C naar 5.0 C en ook de hartslag daalt. Van 180 naar 9 slagen per minuut. Egels verliezen ongeveer 25 tot 30% van hun lichaamsgewicht. Als ze in april wakker worden dan is voedsel zoeken het belangrijkste.

IVN Hoogeveen egelIn mei/juni gaan egels paartjes vormen. Ook dit is een luidruchtig gebeuren. Na de bevruchting duurt het tot 40 dagen voor de jonge egeltjes geboren worden in een nest van mos, gras en blad. De nestjes zijn 3 tot 6 jongen groot. Egeltjes worden doof, blind en vrij kaal geboren. Na twee weken gaan de oogjes open en na vier weken zijn de jongen zelfstandig. Ze drinken dan niet meer bij de moeder maar zoeken zelf hun eten bij elkaar. Egels kunnen, afhankelijk van hun geslacht, tot 1100 gram wegen.

Egels hebben geen natuurlijke vijanden. Ze rollen zich op tot een bolletje zodra ze onraad vermoeden. Kop, pootjes en het staartje, die geen stekels hebben, zijn dan niet meer te zien.

Stekels worden vervangen, ze gaan ongeveer een jaar mee en vallen dan uit.

Roofvogels, vossen, dassen en grote honden kunnen een gevaar zijn voor de egel. De grootste vijand is de mens. Natuurlijk is het verkeer een van de dingen waar de egel mee in aanraking komt. Dat zien we helaas veel te vaak. Maar ook land- en tuinbouwgif maakt slachtoffers. Ook het (biologisch) slakkengif is een grote boosdoener. Toch zijn egels ongevoelig voor veel giftige stoffen die voor de mens dodelijk kunnen zijn.

De gitzwarte uitwerpselen van de egel zijn gemakkelijk te vinden. Ze glinsteren vaak door de niet verteerde delen van keverschilden. De uitwerpselen zijn bros en cilindervormig. Meestal aan een pool puntig, 8 tot 12 mm breed en 30 tot 60 mm lang.

Foto: Hero Moorlag, Grietje Loof

Oktober: Zwerminktzwam, Coprinellus disseminatus 

Als mensen last hebben van een boom kappen ze die. Meestal wil men dan ook de stronk verwijderen. Met een gewone schep en bijl of handzaag is dat een rotklus. Toen onze berk, een tijd geleden, gevallen was had ik geen zin in die klus en liet de stronk waar die was; naast de carport. Tegenwoordig heeft een klein paddenstoeltje zich over de stronk ontfermd. Met honderdtallen bevolken ze na een fikse regenbui het wilde minituintje rond de stronk; ja zelfs ook tussen de straatstenen onder de auto. Het zijn kleine grijze dingetjes met de hoedjes stijf tegen elkaar. Na een dag worden ze al zwart als inkt en dan zie je ze niet meer. Als ze wel langer vers blijven kan het een franjehoed zijn. Honderden tere, zachte eendagswezentjes zijn het die eventjes tweehonderd kilo houtresten opruimen. Het is een sterk verhaal, maar wist u dat de hele wereld zonder schimmels en zwammen bedolven zou raken onder een vijf meter dikke laag afval? Dat doet dus een stille kracht in een legioen van duizenden soorten en miljarden exemplaren; ongezien, niet opgemerkt, stilletjes onder strooisel en bladeren. Het zwerminktzwammetje komt overal in Nederland voor maar het meest in voedselrijke biotopen en op zacht, rot, loofhout. Tuinen en parken zijn in Drenthe favoriet.

IVN Hoogeveen zwerminktzwam

Tekst en foto's: Bernhard de Vries
Tekening: Flora Agaricina Neerlandica deel 6

 

September: De Pissebed, Isopoda

De pissebed, onmisbaar voor de bodem.
Ze hebben het echt niet gemakkelijk, hun naam en uiterlijk zijn nu niet direct om te juichen, maar de pissebed is onmisbaar voor onze bodem. Tijdens de bodemdierendag zullen we ze dan ook echt overal tegenkomen. Ze zijn er met heel veel tegelijk en dat geeft ook de belangrijkheid aan. De pissebed draagt bij aan de koolstofkringloop. Gezond voor de bodem. Zijn ze dan ook gezond voor ons?
Met 14 poten is het dus geen insect.
Maar wat is het dan wel? Spinachtig is een pissebed ook niet en familie van de duizendpoot, ik denk het niet. Dan zijn er ineens veel te weinig poten. In onze tuin zullen we doorgaans een aantal verschillende pissebedden vinden. Ze behoren tot de schaaldieren zoals bijvoorbeeld de krab of een kreeft. Die zijn in ieder geval een stuk smakelijker dan een pissebed. In Nederland leven 37 soorten waarvan de meeste op het land. Je hebt tijdens een activiteit bij een sloot ook vast weleens een zoetwaterpissebed gezien. Die zijn er dus ook. In het water zijn ze ook belangrijk.

In onze tuinen komen vooral de ruwe en rol pissebed voor.
De een doet z’n naam eer aan omdat hij zich tot erwtgrootte kan oprollen en de andere heeft ruwe bobbeltjes op de rug-segmenten. Beide leven in de bovenste laag van de bodem.

Wat is dat voor een laag?
De strooisellaag is dat deel van de bodem waar dode gevallen bladeren en naalden nog herkenbaar aanwezig zijn. In deze laag zijn verteringsprocessen gaande. Hier zijn niet alleen schimmels aan het werk maar ook de pissebed en regenworm. Als de bovenste laag eenmaal verteerd is noemen we dat humus (mul). Veel planten zijn afhankelijk van de aanwezigheid van allerlei organismen. Amfibieën en salamanders hebben de strooisellaag nodig voor voedsel, het aanvullen van vocht en als schuilplaats.
Voortplanting
Per jaar produceren vrouwtjespissebedden twee keer een eierlegsel. Dit is in de lente en de zomer. Per keer is er in hun buidel plaats voor zo’n 200 eitjes. Die eitjes zijn geelgekleurd en komen na een paar weken uit. Opvallend is dat de vrouwtjes van enkele pissebedsoorten nakomelingen kunnen krijgen via maagdelijke voortplanting. Er hoeft dus geen mannetje aan te pas te komen. De jonge pissebedden blijven ongeveer een maand in de buidel wonen. Ze eten de uitwerpselen van de moeder. Hierin zitten nog voldoende voedingsstoffen. Nakomelingen zijn bijna allemaal vrouwtjes.
Virus
Soms zie je een blauwe of paarsige pissebed. Dan is het einde in zicht. Eenmaal besmet met het iridovirus, dat verantwoordelijk is voor de verkleuring, sterft de pissebed na enkele weken. Ze noemen het wel het regenboogvirus. Veel soorten die in tuinen leven zijn gevoelig voor het virus. Pissebedden beschikken over een pantserhuid, het exoskelet of harnas genoemd. Een nadeel aan het skelet is dat het niet meegroeit met de rest van het lichaam, de pissebed zal daarom eens in de vier weken van huid verwisselen. In die periode is de pissebed bijzonder kwetsbaar. Als de huid, het skelet weer gehard is dan is het weer een goede bescherming van het lichaam. Pissebedden zijn dus planteneters die ze dus verteren, maar als er weinig plantenresten zijn dan doen ze zich ook wel te goed aan vervellende soortgenoten. Een metamorfose duurt doorgaans zo’n twaalf uur. Het gebeurt in twee fases, eerst de achterkant en later de voorkant. Bij jonge pissebedden wordt bij iedere vervelling het skelet iets donkerder en ook steviger.
Wereldwijd komen er ongeveer 900 soorten pissebedden voor. Eigenlijk zijn het nachtdieren. We weten het ook wel, ze liggen graag ergens onder in het donker en zoeken zeker het licht niet op. Pas in het donker worden ze actief. Ze hebben primitieve ogen waar ze donker en licht mee waarnemen. Twee voelsprieten op hun kop dienen als tastzintuig en aan de achterkant hebben ze zogenaamde uropoden. Antenne-achtige uitsteeksels waarmee ze voelen maar ook een afweerstof tegen vijanden kunnen afscheiden.
Verwantschap
De pissebed is een schaaldier zoals, al eerdergenoemd, krab en kreeft. Zo te zien lijkt de pissebed er totaal niet op maar ademen doen pissebedden nog precies zoals hun in het water levende verwanten. Ze ademen door kieuwen. Daarom leven ze altijd in een vochtige omgeving, de kieuwen moeten steeds nat worden gehouden. Is een pissebed langer dan twee uur aan droogte blootgesteld dan gaat het mis en is de pissebed dood. De rolpissebed kan zich dan nog oprollen om het proces van uitdroging te vertragen.
Wat zijn dan buiten de droogte, vijanden van de pissebed.
Allereerst wij natuurlijk, de mens. Wij proberen altijd alles op te ruimen in de tuinen, terwijl een pissebed graag leeft in een strooisellaag. Die laag waar het verteringsproces een belangrijks voedselbron voor planten is. Dus in de herfst niet alles opruimen maar ook hier en daar een strooisellaag laten liggen. De planten in de tuin worden daar wel blij van. Dan zijn padden, muizen, hagedissen, spinnen, kevers en duizenpoten de natuurlijke vijanden van de pissebed. Toch is dat niet erg, er is genoeg te eten voor iedereen als niet alles door ons wordt opgeruimd.

Is de pissebed dan ook belangrijk voor ons?
Vroeger werd de pissebed gemalen toegediend bij bedplassen. Dat had natuurlijk met de naam te maken. Men dacht dat de stof die de pissebed afscheid als bescherming tegen vijanden best heilzaam zou kunnen zijn voor de blaas. Ook is er verband gelegd door het eten van pissebedden om hooikoorts tegen te gaan. Tot nu toe is dit nog steeds niet echt beproefd en wetenschappelijk bewezen. Wat je geloven wilt is uiteindelijk vaak doorslaggevend.

Laten wij vooral zuinig zijn op de pissebed, ze zijn goed voor de bodem en dus ook goed voor ons.

Video YouTube, door Lisandro Peña:

Video YouTube, door nashasuncle:

Ga je mee speuren naar bodemdiertjes? Kijk eens bij de activiteiten, op 29 september gaan we op bodemdiertjesjacht.

Foto: Bart Pijper
Tekst: Grietje Loof

Augustus: De dwergvleermuis, Pipistrellus pipistrellus

Als in de winter de temperatuur maar even boven de 5°C is dan zie je regelmatig mugjes dansen op een zonnige plek. Ook in de nacht worden insecten actief bij die temperatuur. Vleermuizen verkeren in de winter in diepe slaap. Toch voelen ze heel goed aan dat hun favoriete voedsel voorhanden is en worden wakker om te gaan jagen. Daar merken wij mensen heel weinig van, wij zitten dan nog bij de warme kachel. Wij merken ze meestal pas op als we tijdens een lange zomeravond een wandeling maken of op het terras zitten. We zien dan doorgaans de gewone dwergvleermuizen rondfladderen. Het is de meest voorkomende soort in Nederland. Dwergvleermuizen zijn net als de huismus echte cultuurvolgers. Ze komen bijna overal voor, vooral waar de omstandigheden goed zijn. Mensen zorgen daarvoor. Wij zorgen voor onderdak en voedsel. Dwergjes zitten meestal bij ons in huis. Vaak in de spouw van de topgevel. Maar ook wel onder het pannendak. De meeste bewoners hebben dat niet eens door. Ze worden weleens opgemerkt door de kinderen die op de zolderkamer slapen. Vanaf eind mei tot begin juli worden de jonge vleermuizen actief. Ze kunnen nog niet vliegen maar zoals normaal met jong leven worden ze speels en vertonen puberaal gedrag. Met de bijbehorende herrie als gevolg. Soms zijn ze zo ondernemend dat ze het verblijf verlaten. Omdat ze nog niet kunnen vliegen vallen ze op de grond en zijn ten dode opgeschreven. Als ze op tijd teruggezet worden in de kolonie dan maken ze daar dankbaar gebruik van. Op het filmpje is een jong dwergje te zien die dit overkwam in de Zeeheldenbuurt in Hoogeveen. De bewoners die het beestje gevonden hadden vonden het prachtig. (geluid aanzetten) 

IVN Hoogeveen Jan Mager dwergvleermuisOp de foto is een dwergvleermuis te zien die de nachtrust in het theater de Tamboer verstoorde. Hij liet constant het alarm afgaan zodat de politie regelmatig moest uitrukken. Toen het beestje gevangen was en buiten de vrijheid werd gegeven, vloog hij niet weg maar ging met gespreide vleugels op een muur zitten. Normaal vouwen ze altijd direct hun vleugels op als ze niet vliegen. Een unieke kans om deze mooie foto te maken.
De meeste vleermuizen verblijven dus in stenen gebouwen. Pas in de middeleeuwen zijn we met baksteen kastelen kerken en kloosters gaan bouwen. Waarschijnlijk kwamen toen ook de eerste dwergvleermuizen naar ons gebied. Wij gingen toen ook steeds meer watergangen maken. Kanalen, grachten en vijverpartijen. Maar ook kregen onze gebouwen dakgoten en regentonnen. Allemaal gelegenheden waar muggen zich heel goed kunnen ontwikkelen. En laat dat nu net het lievelingsvoedsel van dwergvleermuizen zijn. Huizenbezitters die een kolonie in huis hebben merken dat goed. Ze hebben weinig last van muggen. Heel fijn als je ’s avonds op het terras zit of met een open raam slaapt.
Wij mogen dus heel blij zijn dat de dwergvleermuis met ons wil samenleven.

Tekst, foto en video: Jan Mager

Juli: De grote keizerlibel, Anax imperator

Het is zomer, juli. De grote libellen sluipen uit. Als eerste de grote keizerlibel, met een lijflengte van 8 en een spanwijdte van 10 centimeter de grootste libel van ons land. Kijk in de Oude Kene of boven de vijvers in het Steenbergerpark. Daar patrouilleert de keizer, Anax imperator, in zijn keizerrijk. Fel verdedigt hij zijn territorium tegen indringers en zorgt goed voor zijn vrouwtje. Het mannetje is hemelsblauw, het vrouwtje geelgroen. Ze jagen op insecten en kleine libellen zoals waterjuffers. Paringen volgen. Het vrouwtje zet haar eitjes af op plantenstengels onder water. Dan is ze mooi te zien. Ze zit op de bladeren van drijvend fonteinkruid en steekt haar achterlichaam in het water, tastend naar een plantenstengel. Boven haar patouilleert het mannetje om te voorkomen dat andere mannetjes met haar paren. Een nieuwsgierige oeverlibel wordt hardhandig verjaagd. Uit de eitjes komen larven die twee tot drie jaar onder water leven. Evenals de volwassen libel zijn de larven ware rovers. De volgroeide larve klimt in juli langs een plantenstengel omhoog, breekt aan de rugzijde open en de verse libel sluipt uit. Het hele proces van paring, ei-afzet, larvestadium en uitsluipen van een libel is in de insectenwereld uniek.
 

IVN Hoogeveen Hero Moorlag grote keizer

Juni: Het schrijvertje, Cyrinus natator

Het staalblauwe schrijvertje is familie van de kevers die leven in en op het water. De schrijvertjes zijn de enige kevertjes die snel kunnen zwemmen op het wateroppervlak. Ze kunnen ook heel goed vliegen. De familie gyrinidae is een betrekkelijke kleine keverfamilie van ongeveer 400 soorten. In Europa komen tien soorten voor. Schrijvertjes komen voor in groepen en zwemmen in boogjes op het water. Schrijvertjes gebruiken voor het zwemmen het tweede en derde paar poten. Die zijn afgeplat en bedekt met haren. De langere voorpoten zijn voor grijpen ingericht. De samengestelde ogen zijn in tweeën gedeeld, zodat aan beide zijden van de kop één helft van het oog zich onder water bevindt en de andere helft erboven. De kevertjes zijn zeer snel en kunnen vlug onder water duiken om zich te verstoppen. Ze nemen dan altijd een luchtbelletje mee aan de achterlijfspunt als luchtvoorraad. Ze zijn met de hand bijna niet te vangen. Krijgt je ze toch te pakken, dan scheiden zij een vloeistof af die bijzonder onaangenaam van smaak is. Bij verstoring zoeken schrijvertjes hun heil in de diepte. De schrijvertjes eten alles wat op het water terecht komt zoals muggen en muggenlarven maar eten ook plantaardig voedsel op en onder water. De schrijvertjes drijven niet op de oppervlaktefilm van het water, zoals bijvoorbeeld een schaatsenrijder. De glanzend staalblauwe bovenzijde is waterafstotend en blijft droog, de onderzijde en poten worden wel nat. De antennen worden precies in de oppervlaktefilm van het water gehouden. Er wordt gedacht dat de kevertjes hiermee veranderingen in de kromming van de waterspiegel kunnen registreren. Ondanks de grote aantallen weten ze elkaar hierdoor feilloos te ontwijken. Rondom elk kevertje is een klein kuiltje in de waterfilm, terwijl de kevertjes bij het zwemmen een miniatuur boeggolfje voor zich uit stuwen. Bij de zwemslag naar achteren gaan de stijve haren wijduit zodat ze met kracht vooruit worden gestuwd en met de zwemslag naar voren worden de haren als een waaier samengevouwen.

De voortplanting vindt plaats in het voorjaar en de paring vindt plaats in het water, op het wateroppervlak. De eitjes worden door de wijfjes in het voorjaar op ondergedoken waterplanten afgezet. Al snel komen de larven tevoorschijn. Ze groeien snel en kunnen ruim een centimeter groot worden. Tegen eind juli klimmen volwassen larven naar boven op uitstekende oeverplanten en spinnen zich in tot cocon. Ongeveer een maand later komen de volwassen kevers tevoorschijn. Schrijvertjes overwinteren als volwassen dieren. Er zijn niet zoveel insecten die zich in alle drie de leefmilieus thuis voelen. In het water, op het water en in de lucht.  De biotoop waar de schrijvertjes in leven zijn divers als het water maar schoon is en niet te snel stroomt. Vennen en schone sloten met veel vegetatie zijn ideaal. Water waar kwel uit de bodem komt en een olieachtig laagje op het water drijft daar komen geen schrijvertjes voor. Er zijn wel soorten die in snelstromend water leven, maar die zijn moeilijker te vinden.

Dus ga er eens op uit op met een mooie dag met zon naar een schone sloot en kijk naar de kevertjes die op het water schrijven.

Andere namen voor schrijvertjes zijn draaikevers, draaikevertjes, draaitorren en tuimelkever.

IVN Hoogeveen Hero Moorlag schrijvertjes

Gedicht van Guido Gezelle (1830-1899):

O Krinklende winklende waterding
    met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
    al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
    al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
    al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
    Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
    dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
    en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
    dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, -
    met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: -
    Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
    gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
    och, schrijverke, zeg het mij, zeg!

Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
    Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
    of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
    of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
    of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
    met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
    en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
    het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
    één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
    niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
    den heiligen Name van God!"

Toelichting:

  • Gyrinus natans: draaikever, een soort watertor
  • winklende: scherpe bochten beschrijvend
  • kabotseken: mutsje
  • spegelend: spiegelend
  • zo zeer: zo rap
  • kwietelen: kwelen
  • kapoteken: manteltje

Tekst en foto: Hero Moorlag