Soort van de maand

Oktober: Gele Ringboleet - Suillus grevillei

Het is alweer een jaar droog. Drenthe heeft geluk dat er toch af en toe een bui langs kwam maar er staan nog vennen droog. Echt sappige paddenstoelen laten nog op zich wachten. Er zijn wel soorten die een dagje zonneschijn overleven. Ze hebben vaak een dikke hoedhuid, liefst met een slijmlaag. Het helpt ook om de ring over de lamellen bedekt te houden totdat de sporen rijp zijn.
Een goed voorbeeld is de gele ringboleet (Suillus grevillei). Deze soort staat alleen bij larix. Het woord “geel” slaat op de ring die ook slijmerig is. De hoedkleur kan variëren van bleekgeel tot donkerbruin. De laatste vorm moet men niet verwarren met de bruine ringboleet (Suillus luteus). Bij deze slaat het woord “bruine” eveneens op de ring. Deze soort staat bij de den (niet de spar).  Ongelukkigerwijze heet dus de gele (luteus) boleet bij ons bruin. Het geel gaat hier over de gaatjes, neem ik aan. Het kan natuurlijk ook dat de eerste naamgever (Linnaeus) kleurenblind was. Op het moment dat ik dit schrijf staan er vele gele ringboleten langs het fietspad bij Gijsselte. Genoeg voor een royale maaltijd. Jammer is het dat in de soep slijmerige boleten er een soort behangplaksel van maken. Maar verder zijn ze goed eetbaar mits voorzien van zout, peper en liefde natuurlijk.
Als u nu op zoek gaat naar deze soort van de maand dan moet u niet naar de grond kijken maar naar de bomen. Mocht u de larix tegen komen dan mag u weer kijken naar die prachtige mostapijten. Grote kans dat u dan veel moois ziet.

IVN Hoogeveen Bernhard de Vries gele ringboleetTekst en foto: Bernhard de Vries

September: De Regenworm - Lumbricidae
 

We kennen hem allemaal wel, alhoewel je hem niet zo vaak ziet. De regenworm, ook wel pier of aardworm genoemd.
Als het regent komen ze de grond uit en kun je ze goed bekijken.
De regenworm bestaat uit allemaal kleine ringetjes (=segmenten). Op elk ringetje zitten 4 paar borsteltjes.
Deze dienen voor steun en richtingbepaling.
De regenworm beweegt zich voort door zijn spieren samen te trekken. Hierdoor wordt hij steeds langer en weer korter. De spitse kant daar zit zijn mond.
De regenworm heeft geen skelet, geen ogen, oren en tanden.
Hoe weet hij dan dat er gevaar is? Trillingen in de grond kan de regenworm door zijn goed ontwikkelde zenuwstelsel waarnemen. Op het derde segment vanaf zijn mond zit een zenuwknoop waar alles geregistreerd wordt. Dus als er een mol aan komt, maar ook als het regent, veroorzaakt dit trillingen in de bodem en vlucht de regenworm naar boven. Er zijn vogels die wel een lekkere regenworm lusten, zij houden de regenworm voor de gek door met hun pootjes op de grond te trappelen, de worm vlucht naar boven en dan....... ligt het lekkere hapje voor het oprapen. 
De ademhaling geschiedt via de huid en gaat rechtstreeks de bloedbaan in. Ook in zuurstofrijk water kunnen de wormen leven. Ze houden niet van licht, licht kunnen ze waarnemen met de zogenaamde fotoreceptoren, lichtgevoelige cellen in hun huid. Ook houdt de worm niet van warmte, het dunne huidje van de worm droogt dan te snel uit. De regenwormen zijn daarom ook ‘s nachts actiever. In de winter gaat de regenworm ook diep de grond in en houdt daar een winterslaap. Hij rolt zich op en smeert zich in met de afscheiding uit het zadel (= het verdikte deel van de worm waarin zich slijmvormende klieren bevinden) zodat hij niet uitdroogt.
De slijmerige afscheidingsstof uit het zadel wordt ook gebruikt tijdens de paring. Al hoewel de regenworm hermafrodiet is, zowel mannetje als vrouwtje, kan het zich niet zelf bevruchten. Tijdens de 3 tot 4 uur durende paring worden zaadcellen uitgewisseld. De zaadcellen worden naar speciale holtes in het lichaam gevoerd waar de zaadcellen maanden levend bewaard kunnen worden. De vrouwelijke organen gaan nu eitjes produceren, als deze rijp zijn worden de eitjes met behulp van de slijmafscheiding die als een band om de regenworm heen zit, naar voren geschoven tot boven de zaadcellen. De zaadcellen vermengen zich met de eitjes en zo wordt het eitje buiten het lichaam bevrucht. De slijmlaag wordt verder naar voren van het lichaam afgestroopt. De eitjes zitten dan in een slijmerige substantie dat de eitjes beschermt tegen uitdrogen. De buitenkant van het slijm droogt op tot een hard coconnetje. Het duurt 1 tot 5 maand tot het jonge regenwormpje uit zijn cocon kruipt.
De regenworm eet dood organisch plantaardig materiaal zoals plantenresten en afgevallen bladeren.
Bladeren trekt hij de grond in.

IVN Hoogeveen Henny Hauschild compostwormWereldwijd zijn er 670 soorten regenwormen, waarvan 22 soorten leven in Nederland.
De regenwormen zijn in 3 groepen te verdelen,

  1. Epigeïsche, deze soort leeft in de strooisellaag en graven niet.
    Voorbeeld:
    Eisenia fetida, de compostworm.
  2. Endogeïsche, deze leeft in de bovenste 40 cm van de bodem en graaft horizontale gangen.
    Voorbeeld:
    Aporrectodea calliginosa, grauwe worm.
  3. Anekische, deze graven diepe tunnels
    Voorbeeld: Lumbricus terrestris, de gewone regenworm.

Door het graven van de gangen wordt de bodem goed belucht, door het eten van organisch materiaal ruimen zij afval op en hun poep is zo fijn gemalen en rijk aan mineralen dat het voor de planten een weldaad is.
De regenwormen zijn echte grondverbeteraars.

Tekst: Henny Hauschild
 

Augustus: Eekhoorn - Sciurius vulgaris

Eekhoorn, de acrobaat in de bomen.

De eekhoorn wordt ook wel vaak gewone- of rode eekhoorn genoemd. De Latijnse naam is Sciurius vulgaris en betekent ‘Schaduwstaart’. Dit vanwege de karakteristieke zithouding, de staart over de rug.
Het is een boombewoner die, de titel zegt het al, als een acrobaat door de bomen rent en springt. De eekhoorn is net als bevers, hamster en muizen een knaagdier. Het is zoals gezegd een boombewoner maar ook op de bosbodem is hij goed thuis.

IVN Hoogeveen Bart Pijper eekhoornWat zijn de kenmerken van de eekhoorn

  • De staart over de rug, grote pluimstaart
  • Grote ogen
  • Gepluimde oren
  • Lange tenen met lange en scherpe nagels.
  • De wintervacht is donkerder en grijzer dan de zomervacht. De vacht varieert van kastanje tot donkerbruin en de buik heeft een witte vacht. Deze steekt flink af tegen de rugvacht.
  • Kop-romplengte: 21 - 25 cm
  • Staartlengte: 14 – 22 cm
  • Gewicht: 230 – 415 gr
  • Mannetjes en vrouwtjes zijn even groot.

IVN Hoogeveen Bart Pijper eekhoornWaar vinden wij de eekhoorn
In grote delen van Nederland komt de eekhoorn voor. Voor 1970 brak er een virusziekte uit waardoor de eekhoorn in hee het land zeldzaam werd. Na 1970 is het aantal enigszins hersteld. Ze komen voor in loofbos, gemengd bos en naaldbos, maar ook in tuinen en parken. De laatste twee zijn vooral interessant als er voldoende voedsel te vinden is. Het bos of park heeft bomen die zeker ouder zijn dan 20 jaar omdat daar meer voedsel maar ook nestgelegenheid is. Eekhoorns bouwen hoog in de bomen nesten, minimaal 5 meter van de grond. Deze zijn in de winter, als de bomen kaal zijn goed te zien. Een nest is bolvormig en zo groot als een voetbal. Het nest wordt bekleed met zacht materiaal, mos, gras en soms wol. Ze kunnen goed springen en bewegen en klimmen behendig tussen takken van bomen. Een eekhoorn daalt altijd met zijn kop naar beneden van een boomstam af. De staart dient als evenwichtsorgaan bij alle acrobatische toeren die de eekhoorn uithaalt. Eekhoorns kunnen uitstekend zwemmen.

De eekhoorn kent geen winterslaap maar is wel minder actief in de winter. In de herfst eten ze extra veel om een vetreserve aan te leggen. We kennen de eekhoorn ook wel van de voedselvoorraden die ze aanleggen in de herfst. Ze verstoppen voedsel in de grond maar ook in boomholtes of oksels van bomen. Eekhoorns die hun voedsel niet terugvinden zorgen zo ook voor verspreiding van zaden. Ze kunnen het meestal goed terugvinden dankzij hun reukvermogen. Als het echt slecht winterweer is dan blijven ze meestal een paar dagen in hun nest. Het voedsel is afhankelijk van het jaargetijde maar alles wat het bos aan vruchten voortbrengt eten ze. Knoppen, noten, eikels, vogeleieren, paddenstoelen, schors, bessen, bladeren, kegels van naaldbomen en nog meer boomzaden.

Er wordt een hoofdnest gebouwd maar in de omgeving ook nog een aantal reservenesten. Dit kunnen ook oude nesten van kraai of ekster zijn. Eekhoorns leven alleen en hebben hun eigen leefgebied. Daar wordt ook al het voedsel gezocht. De gebieden waarin ze leven kunnen door meerdere eekhoorns worden bewoond. Het enige wat ze verdedigen is het slaapnest. De territoria van de mannetjes is groter dan die van de vrouwtjes. In de paartijd slapen mannetje en vrouwtje regelmatig samen in hetzelfde nest en zodra de jongen zijn geboren wordt het mannetje niet meer geduld. De paartijd is van december tot februari, de geboorteperiode tussen mei en juni. Zoals bij veel meer dieren het geval is slaan vrouwtjes een eerste periode vaak over als er weinig voedsel is. De draagtijd is 5 tot 6 weken. In deze periode bouwt het vrouwtje het kraamnest. Dit is doorgaans steviger dan een gewoon nest en gemaakt van gevlochten takken en dik bekleed met gras. Er worden 2 tot 5 jongen geboren. Ze zijn niet alleen kaal, ze zijn ook blind. Na een week of vier gaan de oogjes open, ze hebben dan inmiddels al een vacht. De jongen worden 10 weken gezoogd. Het is dus een zoogdier. Daarna zijn ze snel zelfstandig en na een maand of drie worden ze weggestuurd om een eigen territorium te gaan zoeken. In het wild kunnen ze ongeveer 7 jaar worden maar meestal sterven ze jonger.

 

Tekst, foto: Bart Pijper
Video: Grietje Loof

Juli: Heidelibel - Sympetrum

Heidelibellen in stadsrandzone Oude Kene

Dat klinkt vreemd voor een nat gebied met een beek en poelen als in de Oude Kene, heidelibellen. Er is geen heide en dat zal er waarschijnlijk ook nooit gaan groeien. Heidelibellen zijn rare beesten. Ze komen in de natste gebieden voor. Hoewel, er zijn in het oostelijke deel van de Oude Kene nog veel hoge bijna kale leemhoudende gronden. Ze liggen dichtbij de A28. Juist in dit deel komen de meeste heidelibellen voor. Het gaat om de Bloedrode, de Bruinrode, de Steenrode, de Zwarte en de Bandheidelibel.

Rode mannen, gele vrouwen
In het algemeen zijn de mannetjes van heidelibellen rood en de vrouwtjes geel. Alleen de Zwarte heidelibel is zwart en het vrouwtje zwart met veel geel. De Bandheidelibel is vanwege de donkere banden op de vleugels snel op naam te brengen. Bij de andere rode heidelibellen is dat moeilijk. Je moet naar de ‘snor’ kijken, een zwart streepje onder de ogen. Steenrode heidelibellen hebben een ‘hangsnor’. Een goede macrofoto is daarom onontbeerlijk voor de determinatie.

De Bandheidelibel is een soort die zich vanuit het oosten naar het westen uitbreidt. Hij wordt gezien als vrij zeldzame zwerver en pionier. In Drenthe komt hij op enkele plekken voor, waaronder de Oude Kene. Men weet nog niet precies welke biotoop hij verkiest. Waarschijnlijk houdt de Bandheidelibel van kwelsituaties (kwelwater). Ze vliegen, lijkt meer fladderen,  boven kort gras en jagen daar op kleine insecten. Het vrouwtje legt haar eitjes in stilstaand water.  Deskundigen van Libellenwerkgroep Drenthe zeggen dat je pas van een populatie kunt spreken, als de soort meerdere jaren aanwezig is en dat er duidelijke aanwijzingen zijn van voortplanting. Dat is het geval in de Oude Kene, hoewel de populatie klein blijft.

De foto’s heb ik genomen in de Oude Kene.

Mannetje Bandheidelibel
IVN Hoogeveen bandheidelibel Hero Moorlag
Vrouwtje Bandheidelibel
IVN Hoogeveen Hero Moorlag bandheidelibel
Mannetje Steenrode heidelibel
IVN Hoogeveen Hero Moorlag steenrode heidelibel
Vrouwtje Steenrode heidelibel
IVN Hoogeveen Hero Moorlag steenrode heidelibel
Tekst en foto's: Hero Moorlag

Juni: Schaatsenrijder - Gerris lacustris 

Oppervlaktespanning. Daar gaat om als we het hebben over insecten die in staat zijn over het water te lopen. In niet vervuild water liggen de bovenste watermoleculen zo strak tegen elkaar aan, dat ze als het ware een ‘vlies’ vormen. Een Schrijvertje (Draaikever) en een Schaatsenrijder hebben haartjes onder de poten. Ze zakken niet door het wateroppervlak. Insecten hebben zes poten. Op de foto zie je zes deukjes in het wateroppervlak. Je ziet ook de schaduw van de poten, waardoor het lijkt of de Schaatsenrijder meer poten heeft. Maar let op de zes deukjes in het water.

IVN Hoogeveen Hero Moorlag schaatsenrijderNatuurkundig proefje
Je kunt zelf de oppervlaktespanning testen. Vul een bier- of drinkglas of een kommetje met kraanwater. Neem een punaise, liefst een punaise met een plastic omhulsel. Pak de punaise bij het steeltje en leg hem heel voorzichtig op het wateroppervlak. Er ontstaat een deuk in het water en de punaise blijft drijven. Doe dan het volgende. Was je handen met zeep, maar spoel ze niet af. Laat voorzichtig een beetje zeepsop langs de rand van het glas in het water zakken. De punaise zal dieper in het water gaan liggen met een grotere deuk. Ga door met het toevoegen van een beetje zeep in het water. Op een gegeven moment zakt de punaise door het wateroppervlak en dwarrelt naar de bodem van het glas.
Wat is er gebeurd? Zeepmoleculen hebben een lange staart. De punten van de staarten wringen zich tussen de watermoleculen en vernietigen zo de oppervlaktespanning. Dat gebeurt in sloten, kanalen, vijvers en beken die door fosfaat en nitraat zijn vervuild. Hier vind je nooit schaatsenrijders op het wateroppervlak. Ze zouden meteen door het oppervlak zakken. Vroeger waren vrijwel alle sloten schoon en vonden we overal schrijvertjes en schaatsenrijders. Daaraan denk ik als ik in de Kiersche Wijde ten westen van Meppel ben. Prachtige sloten met helder water waarop insecten lopen. Die vind je niet meer in het zwaar bemeste cultuurland in onze buitengebieden, op een enkele uitzondering na.     
                                                                       

Foto: Schaatsenrijder op het wateroppervlak van een gezonde sloot
Tekst en foto: Hero Moorlag

Mei: Grote brandnetel – Urtica dioica

Raadsel: Het brandt dag en nacht, maar verbrandt nooit.

Door de brandharen op de plant is het een gemakkelijk te herkennen netelsoort. De planten kunnen grote oppervlaktes overwoekeren, vooral als er veel stikstof in de bodem zit.
Over brandnetels is veel te vertellen. In het voorjaar kunnen we de reinigende, opbouwende en weerstand verhogende werking van de brandnetel goed gebruiken. De bovengrondse delen van de plant zijn rijk aan ijzer, vitaminen A en C en mineralen. De brandneteltoppen zijn een goed ingrediënt voor bijvoorbeeld een brandnetelsoep of brandnetel pannenkoekjes. De recepten zijn onderaan deze tekst te vinden.

IVN Hoogeveen brandnetelsBuiten het feit dat het een voedselbron is voor mensen is het ook voor dieren een ontzettend belangrijke plant. In het voorjaar knabbelen bijvoorbeeld de Schotse hooglanders de brandnetel toppen vanwege het eiwit wat erin zit. In het najaar, als de temperatuur afneemt verliezen de netelcellen hun kracht en is het blad een welkome voedselbron.
Zijn er rommelhoekjes ontstaan in de tuin of juist achter de schutting van de tuin omdat er weleens wat tuinafval over de schutting vliegt dan is de kans heel groot dat de brandnetel deze plekjes als eerste in bezit neemt. De plant is een goede stikstof indicator.
De bloeiwijze is tamelijk onopvallend. Het is een windbestuiver. De brandnetel, een tweehuizige plantensoort heeft dus vrouwelijke en mannelijke planten. Meestal vind je groter groepen van hetzelfde geslacht bij elkaar. Dat komt doordat ze onderling vanuit de wortelstokken zijn ontstaan en dus eigenlijk een plant vormen. De mannelijke plant heeft korte zijtakjes en de piepkleine bloemetjes zijn bij de rijping geel. Veel mensen hebben last van de hooikoortsachtige verschijnselen door de bloeiende brandnetel.
Bij de vrouwelijke plant gaan de zijtakken na bevruchting hangen, de bloei is van juni tot laat in de herfst. Als het vruchtbeginsel uitgroeit tot een nootje dan omsluiten de vier bloemdekbladen als kleppen het nootje. Altijd de moeite waard om het eens van dichtbij te bekijken.
Op de planten komen zowel haren als brandharen voor, deze zitten aan de stengel en aan de onderzijde van het blad. Als je de plant aanraakt breken de toppen van de brandharen af waardoor het netelgif vrijkomt. Netelgif bestaat uit acetylcholine en mierenzuur. In de buurt van brandnetels groeit eigenlijk altijd zuring, weegbree, dovenetel en hondsdraf. Het sap van deze planten helpt de ‘brand’ van de huid te verzachten.
In de middeleeuwen gebruikte men de bast van de plant om stof uit te weven. Dit wordt nu nog steeds gedaan, de brandnetelvezels staat voor duurzame textiel als alternatief voor katoen. Ook ‘wol’ is er tegenwoordig van brandnetelvezel. Het is een fijne stof om te dragen. Het oudste bewijs van gebruik van brandnetels voor kleding komt al uit de bronstijd. Er is veel te vinden over brandneteltextiel op internet.
Kruiddeskundige dr. Vogel ontdekte in 1835, dat brandnetel(thee) hielp tegen scheurbuik. Zoals al eerder gelezen bevat brandnetel vitamine C en mineralen.
Vroeger werd boter, vlees en vis in brandnetelblad verpakt om het langer vers te houden. De stoffen gaan bacteriegroei tegen.
Thee van de grote brandnetel helpt bij eczeem, hooikoorts of astma en allerlei andere aandoeningen. Het werkt bloedzuiverend en urinedrijvend.

De bewoners van de grote brandnetel
De plant is een belangrijke voedselbron voor allerlei rupsen van vlinders, dit noemen we dus een waardplant. De vlinders die eitjes afzetten op de grote brandnetel zijn atalanta, dagpauwoog, landkaartje, gehakkelde aurelia en de kleine vos. De rupsen smullen van de brandnetel. De dagpauwoog en kleine vos worden in groepjes afgezet op het blad. De eitjes van gehakkelde aurelia en atalanta worden één voor één afgezet. Ook hier geldt dat het best de moeite waard is om eens wat beter te kijken naar de plant. Wat gebeurt er allemaal.

IVN Hoogeveen dagpauwoog rupsVeel insecten zijn afhankelijk van de brandnetel. Dagvlinders zijn hierboven al genoemd, nachtvlinders, wantsen, slakken, cicaden, snuitkevers, glanskevers en bladluizen komen voor op de plant. Ongeveer 50 vlindersoorten komen op de brandnetel voor.

IVN Hoogeveen dagpauwoogMaar ook de bosrietzanger heeft de brandnetel nodig. Hij hangt het nest op aan de stengels van deze nuttige plant. Ook de koning van onze zangvogels, de nachtegaal, wordt gewoonlijk te midden van de netels geboren.

Brandnetelsoep:
Gebruik handschoenen en pluk alleen de bovenste 6 blaadjes van de steel.  Na 1 minuut koken prikken de blaadjes niet meer en kun je beginnen met het maken van de soep.

Wat heb je nodig;
Voor 4 personen

  • 400 gram brandnetelbladeren (de topjes)
  • 1 fijngesneden ui
  • 2 aardappelen, in blokjes snijden
  • 1 geperste teen knoflook
  • Olijfolie
  • Groentebouillon, 1 liter
  • Peper en zout
  • 1 deciliter room (hoeft niet maar is wel lekker)

Was de brandnetelbladeren onder de kraan. Gebruik dus handschoenen om je handen te beschermen. De bladeren in het vergiet uit laten lekken. Hak de bladeren fijn. Doe de olijfolie in een pan en fruit hierin de ui en knoflook. Voeg de bladeren, aardappelen en bouillon toe en laat dit ongeveer 15 minuten koken, of tot de aardappelen gaar zijn (dit gaat meestal sneller) Mix de soep fijn met een staafmixer en breng het op smaak met room, peper en zout.
Eet smakelijk!

April: Oranjetipje, Anthocharis cardamines

‘Als je nu heel stil blijft zitten dan gaat ie misschien wel op je hand zitten.’ Als natuurouder doe je er natuurlijk alles aan om je kind zoveel mogelijk ‘magic moments’ in haar leven te laten ervaren. Op een prachtige ochtend in het voorjaar van 2013 lukte dat wonderwel. Het mannetje van een oranjetipje vloog verschrikt op, toen wij door de bloemrijke beeklanden van het Oude Diepje slenterden. Het vlindertje fladderde even rond en landde daarna precies  op mijn dochter haar hand, om hier verder op te warmen. Vol verwondering en doodstil keek ze naar een van de mooiste vlinders van het voorjaar.

IVN Hoogeveen Bart Pijper oranjetipjeAls je ook wilt genieten van het oranjetipje, stap dan eens van je fiets als je in weilanden, omzoomt door bomen en struiken, massaal het zacht roze van bloeiende pinksterbloemen ziet. De bloemen van dit plantje zijn namelijk topfavoriet bij onze Soort van de maand. Dat is niet alleen voor het nectar. Het witte vrouwtje zet namelijk juist haar eitjes af op dit plantje, omdat de rupsen gek zijn op het zaad. Altijd één oranje eitje per plant, zodat er geen concurrentie is. De eitjes scheiden een bepaalde geur af, waardoor andere vrouwtjes verder zoeken naar een geschikte bloem. Je kunt het jezelf ook wat gemakkelijker maken door zelf wat judaspenning of look zonder look in eigen tuin te zaaien. Ook hierop zetten ze namelijk vaak hun eitjes af. Binnen twee jaar na het zaaien zag ik opeens oranjetipjes voor ons eigen kamerraam langs vliegen.

Als de rups zich heeft volgevreten gaat deze op zoek naar een veilig plekje in het struikgewas om daar te verpoppen. De pop overwinterd en afhankelijk van de temperatuur ontpopt de vlinder zich omstreeks deze maand. De mannetjes met hun karakteristieke oranje vleugeltipjes zijn ongeveer twee weken eerder te zien dan de witte vrouwtjes. De vrouwtjes zijn op het eerste gezicht lastig te onderscheiden van koolwitjes maar wanneer je de onderkant van de vleugel of haar diep in de ogen kijkt, dan is er geen twijfel meer mogelijk. Het prachtige marmergroene is onmiskenbaar. De mannetjes zijn echter niet zo slim en vliegen alles achterna wat fladdert.  Als een andere soort vlinder, of een vrouwtje dat al gepaard heeft, hier niet van gediend is, zetten die hun achterlijf omhoog. De boodschap is duidelijk; wegwezen!

IVN Hoogeveen Bart Pijper oranjetipjeTekst en foto's: Bart Pijper
 

Maart: Ringslang, Natrix natrix

De Ringslang de onschuld zelf.

De ringslang is de grootste slang van Nederland en kan wel meer dan een meter lang worden. Het lichaam is olijfgroen, bruin of grijs en bedekt met vlekjes die aan de zijkant vaak een strepenpatroon vormen. Vlak achter de kop bevindt zich een ring die vaalgeel tot oranje is gekleurd waaraan de slang zijn naam ontleent. De pupil is rond. Bij de adder is de pupil verticaal vergelijkbaar met een kat.

IVN Hoogeveen Johan Scheeres ringslang
Voorkomen en verspreiding.
De ringslang komt in heel Europa voor. In Nederland in alle provincies boven de grote rivieren en in het zuidpuntje van Limburg.

In Drenthe leven de ringslangen vooral in natuurgebieden met vennetjes met heide of ruige vegetatie, maar ook volkstuinen bij water of grote tuinen met vijvers erin.

Het voedsel van ringslangen bestaat voor het grootste deel uit het eten van kikkers of padden, maar als die in het gebied niet veel voorkomen eten ze ook muizen, kleine watersalamanders, jonge vogels en vissen. De ringslang heeft aan 8 padden per jaar genoeg te eten gehad.
De prooien worden levend naar binnen gewerkt en kunnen bijna niet meer ontsnappen door de kleine naar achterstaande tandjes. Als men een slang zou beetpakken en hij zou bijten dan nemen wij dat waar als grof schuurpapier wat stroef is en geen schade aanricht. Hij kan ook een stinkende stof uitscheiden die niet lekker ruikt.

In de winter kun je nooit een ringslang waarnemen want dan zijn ze in winterrust op een droge vorstvrije plek zoals een oud hol van een mol of muizen. Grote stapels stenen of hout zijn ook prima plekken om te overwinteren. In het voorjaar als de temperatuur boven de 15 graden is worden de slangen actief en gaan op zoek naar een plekje in de zon om op te warmen zodat ze kunnen jagen op prooidieren.

Ringslangen zijn niet gemakkelijk waar te nemen; ze zijn alert en bij onraad verdwijnen ze snel in de vegetatie. Om ze wel te zien te krijgen moet het een mooie zonnige dag zijn in het voorjaar, het liefst april, bij een temperatuur van 18 tot 22 graden. Bij het zoeken moet je rustig lopen en goed voor je kijken langs de randen van de vegetatie waar de zon op schijnt en waar geen wind op waait.

De paring vindt in de maanden april - mei plaats en na paring zoekt het vrouwtje vooral de warmte op van een broeihoop waar ze de eieren kan afzetten omstreeks eind juni, juli.

De eieren worden door de warmte in de broeihoop uitgebroed. Een vrouwtje legt ongeveer 20 tot 40 eieren. Deze zijn 2,5 tot 3,5 cm lang en hebben geen harde schaal maar een elastische schaal.

IVN Hoogeveen Johan Scheeres broeihoopEen broeihoop is een hoop van ongeveer 3 meter bij 3 meter en 150 cm hoog. Het materiaal moet organisch zijn en het liefst uit het gebied komen, zoals gras, blad, takken en dikke takken. Door het verteren van het organisch materiaal ontstaat er broei en zo worden de eieren uitgebroed.

Door de broeihopen in het najaar of voorjaar weer om te zetten kan men onderzoeken of er ook eischalen aanwezig zijn van het seizoen ervoor en zo kan je zien of nog ringslangen actief zijn. Door het tellen van de eischalen weet je of de populatie groeit of niet.

Een jonge ringslang die net uit het ei gekropen is heeft een lengte van 15 tot 20 centimeter, als deze ligt te zonnen lijkt het wel een zwarte naaktslak.

Vrouwtjes ringslang zijn het grootst tot 125 cm en vrij dik, de mannetjes zijn nooit zo lang en niet zo dik. Ringslangen gaan veel op pad en kunnen grote afstanden afleggen; ze zijn zeer mobiel en liggen niet vaak op dezelfde plaats te zonnen.

IVN Hoogeveen Johan Scheeres eiZe kunnen ook zeer goed zwemmen; zowel boven als onder water. Onder water kunnen ze niet goed zien en jagen.

IVN Hoogeveen Johan Scheeres ringslang
Al met al een mooie slang uit onze streek die absoluut ongevaarlijk is en alleen in rustige natuurlijke omgevingen voorkomt. Kom je er toch een in je vijver of laars tegen, breng de slang naar de vijver of naar het bos in de buurt.

Kom je ook zoeken naar eischalen van de ringslang op zaterdag 2 maart 9.00 uur Oude Kene?

Tekst en foto's: Johan Scheeres

Februari: Gaai, Garrulus glandarius

Schrouwakster in het Steenbergerpark

Hij heeft zijn voorraad eikels overal verstopt en weet de provisiekasten altijd terug te vinden. Voedsel genoeg voor de gaaien in het park en de wijde omgeving. Schrouwakster zeggen we in Drenthe, want wat kan een gaai tekeer gaan. Je hoort het gekrijs van verre. Toch behoort hij tot de zandvogels. Nog een maand en we horen van deze vogel de meest vreemde geluiden: gillen, janken, miauwen, piepen en krijsen. Waarom ze dat in het voorjaar doen, is niet duidelijk. Het lijkt of het ze in de bol is geslagen.

Gaaien zijn kraaien, net als zwarte kraai, roek, kauw en ekster. Ze komen in heel Europa voor. Type op Google eens ‘Kukaj.sk’ in en klik in de bovenste balk op ‘Spevavce II”. Je ziet een voerplek in Slowakije, gemaakt door Spravá Národného parku Vel’ká Fatra. Dat betekent: Beheer Nationaal Park Grote Fatra. Daar is een vaste camera opgesteld die live beelden uitzendt. Er komen gaaien, bonte spechten, groene spechten, kool- en pimpelmezen en eekhoorns. De voerplek ligt dicht bij Martin, de partnerstad van Hoogeveen.

In alle landen waarin de gaai voorkomt, zijn jagers gek op de blauwe veertjes op de vleugels. Omdat gaaien worden gezien als rovers die eitjes uit nesten van kleine zangvogels stelen, worden ze afgeschoten. Maar het is voor jagers meer het idee ieder jaar een paar nieuwe blauwe veertjes op de hoed te hebben, dan dat ze actief gaaien vervolgen.

In onze tuin trekt een gaai pinda’s uit het netje en verstopt ze in de klimopheg. Intelligente vogel en handig. Zelfs als er sneeuw ligt, weet hij de voorraadplekken terug te vinden. Zo komt hij perfect de winter door en begint eind maart met de voorbereidingen voor nestbouw, paring en voortplanting.

IVN Hoogeveen Hero Moorlag gaaiIVN Hoogeveen Hero Moorlag gaai tuinIVN Hoogeveen Hero Moorlag gaai vfFoto1 Gaai park: Gaai in het Steenbergerpark.
Foto2 Gaai tuin: Gaai in een tuin bij Dalerpeel.
Foto3 Gaai VF: Beeld van vaste camera bij voerplek Spevavce II in Slowakije.

Tekst en foto's: Hero Moorlag

Januari: Pestvogel, Bombycilla garrulus

Voor vogels in de winter maken we graag ruimte. In de tuin of balkon. We kopen zaadjes, potten pindakaas, rijgen pinda’s en hangen vetbollen op. Dit alles om ervoor te zorgen dat de vogels met een volle maag de winter doorkomen. Daarbij is het een hele leuke bezigheid om de capriolen op de voedertafel te bekijken. Ruzie maken kunnen vogeltjes als de beste, territorium verdedigen en vechten voor het lekkerste hapje. Tot ineens een sperwer in de buurt komt en weg zijn alle kleine vogeltjes. Vogels in de winter, de kerstkaart met het roodborstje. Het is niet weg te denken uit ons bestaan en we besteden er tijd aan. Dat het niet zo goed gaat in de natuur dat hebben we in 2018 allemaal wel gehoord of gelezen. Dat geldt dus ook voor de vogeltjes. Ze hebben het maar moeilijk. Door ziektes, droogte, kou en te weinig voedsel, ze hebben het moeilijk en in de tellingen is dat zichtbaar.

De vogel die in de maand januari in de schijnwerpers staat is de pestvogel. Nee, geen pestvogel die je pest maar een prachtige vogel die soms in koude winters naar Nederland trekt om zich te goed te doen aan de bessen die dan nog over zijn. Ze zijn bijvoorbeeld dol op de bessen van de Gelderse roos. Vooral in het Noorden van Nederland kan deze vogel zich, in parken en tuinen waar veel bessen te halen zijn, ophouden. De vogels vliegen soms door naar België en Frankrijk. Vanaf februari tot april verdwijnen ze weer uit het land.

De pestvogel woont in bosrijke gebieden van Scandinavië en de dichte taiga in Noord-Rusland. Daar waar de winters streng zijn en als er dan weinig bessen zijn komt de pestvogel naar Nederland. De naam pestvogel is ontstaan in het verre verleden. Zijn verschijning zorgde ervoor dat in de winter, als de weerstand van de mensen het laagste was en veel mensen ziek werden, de pestvogel als verspreider van ziektes werd gezien. Zo ontstond de naam pestvogel. Maar het is natuurlijk een fabel. De pestvogel is vooral heel mooi om te zien. Zowel het mannetje als het vrouwtje heeft prachtige kleuren en een opvallende kuif. De soort lijkt op de spreeuw.

De vogel broedt niet in Nederland maar is een invasievogel. Wel eentje van de vier mooiste invasievogels. De broedgebieden van de pestvogel liggen rondom de noordpool. De meeste broedparen leven in Rusland, Zweden en Finland. In de broedtijd eten de vogels insecten. Ze vangen deze in de vlucht als een vliegenvanger. De meeste jaren zijn pestvogels schaars in Nederland. Maar ieder jaar wordt er wel waarnemingen doorgegeven.  Wie weet ga je deze winter de pestvogel zien, je weet nu waar je op moet letten.

2018  
December

Ree, Capreolus capreolus

November Egel, Erinaceus europaeus
Oktober Zwerminktzwam, Coprinellus disseminatus
September Pissebed, Isopoda
Augustus Dwergvleermuis, Pipistrellus pipistrellus
Juli Grote keizerlibel, Anax imperator
Juni Schrijvertje, Cyrinus natator