Soort van de maand

Juli: Sint-jacobsvlinder - Tyria jacobaeae

De Sint-jacobsvlinder komt uit de familie van de spinneruilen die een onderfamilie is van de beervlinders. De vlinder komt niet alleen in Nederland voor maar ook in de rest van Europa en West- en Centraal Azië.
Hij leeft veel op de zandgronden waar de waardplanten, het Jakobskruiskruid, veel voorkomt maar ook andere kruiskruidsoorten.

De lengte van de vleugels is 16-21 millimeter, de kleuren zijn zwart en rood met 2 rode stippen en een rode streep op de voorvleugel. De achtervleugel is rood met zwarte randen.

IVN Hoogeveen Johan Scheeres sint-jacobsvlinder
De Sint-jacobsvlinder is een dagactieve nachtvlinder die je overdag ook kunt zien vliegen, maar misschien zijn de rupsen van de Sint-jacobsvlinder nog wel bekender doordat ze goed opvallen.
De vlinders zijn vanaf april tot augustus waar te nemen. Ze vliegen geen grote afstanden, maar korte stukjes en dan verdwijnen ze weer tussen de planten en het gras.

In de periode van april tot augustus leggen de vlinders eieren op verschillende kruiskruid soorten maar vooral op Jakobskruiskruid. De ei pakketjes zijn klein tot een 50 eitjes en zijn gelig van kleur en zitten onder een blad van Jakobskruiskruid.
Na een aantal weken komen de eitjes uit en komen de rupsen tevoorschijn. Ze zijn eerst effen geel/bruin maar later worden ze geel met zwarte banden, ook wel zebrarupsen genoemd.
De opvallende tekening waarschuwt rovers dat hij oneetbaar is.

IVN Hoogeveen Johan Scheeres sint-jacobsvlinder
De rupsen eten van het Jakobskruiskruid en nemen van de plant de giftige bestanddelen op in hun lichaam die de rups oneetbaar maken. Het gif raakt de rups niet meer kwijt dat hij binnenkrijgt, het wordt zelfs doorgegeven als hij vlinder wordt en daardoor eveneens oneetbaar is. Ze eten zowel het blad als de bloemen van het Jacobskruiskruid.

IVN Hoogeveen Johan Scheeres jacobskuiskruid
Als de rups volgroeid is wordt het een pop die moet overwinteren in de grond en komt dan weer in het voorjaar tot ontwikkeling en word weer een vlinder.

De vlinder is algemeen en als je een beetje oplet kom je hem veel tegen in Drenthe, maar ook de rups zie je  veel op Jakobskruiskruid.

De vlinder schijnt in sommige werelddelen uitgezet te zijn om het Jakobskruiskruid te bestrijden. Het Jakobskruiskruid kan in grote hoeveelheden in het hooi aan vee schade geven omdat de gifstoffen opgeslagen worden in het lichaam en kan lijden tot de dood.

De vlinder is gemakkelijk te verwarren met de Sint-jansvlinder; deze vlinder heeft geen rode streep en twee stippen, maar deze heeft op de voorvleugel 5 stippen.

De vlinders zijn te vinden op zonnige stukken in april-mei waar Jakobskruiskruid staat en later volgen de rupsen. Het zijn vooral de schrale bermen en weilanden waar je moet zoeken.

Veel plezier met het zoeken en het uit elkaar houden van de twee gelijkende soorten!

Tekst en foto's: Johan Scheeres

Juni: Bruine kikker - Rana temporaria

De bruine kikker Rana temporaria is een middelgrote, vrij robuuste kikker met een stompe snuit. Op de overgang van rug naar de flank liggen aan beide zijden de ruglijsten, die ter hoogte van de aanzet van de voorpoten relatief dicht bij elkaar komen. De hoekige, donkere vlek achter het oog word het masker genoemd. Hij heeft een kleine zachte graafknobbel op zijn achterpoot. De bruine kikker is variabel van kleur (bruin, groenbruin, roodbruin, geelbruin, grijsbruin) met een patroon van donkere vlekken en een lichte gemarmerde buik. De mannetjes hebben uitwendige kwaakblazen, ze kwaken (brommen) vanuit de keel. In de voortplantingstijd krijgen ze soms een blauwachtige zweem over het voorste deel van het lichaam en de keelhuid is dan wittig of grijsblauw. De soort kan tot 11 cm groot worden. De bruine kikker komt in Friesland en Groningen weinig voor, maar in de rest van Nederland komt hij heel algemeen voor.

IVN Hoogeveen Johan Scheeres bruine kikkerHeikkikker
De erop gelijkende heikikker heeft een beperkte verspreiding (vaak heide terreinen).
De herkenning van beide soorten:

Bruine kikker Heikikker

middelgrote kikker                                     

fijner gebouwd, kleiner
kleur en patroon zeer variabel rugstreep tot voorbij ogen
buikpatroon variabel vaak gemarmerd buik wit
kleine graafknobbel grote graafknobbel
soms met rugstreep lichte streep over rand bovenkaak
rugstreep nooit voorbij ogen bijna altijd rugstreep
stompe kop spitse kop
donkere oogvlek breed uitlopend donkere oogvlek smal uitlopend
blauwige keel bij voortplanting blauw bij voortplanting
larven bruin met gouden stipjes larven bruin met gouden stipjes
vele rijen tandjes 3 rijen tandjes op onderlip
kikkerdril vele watertjes kikkerdril in vennen (zuur water)

Levenswijze
De levenswijze van een bruine kikker is zeer divers, buiten het voortplantingsseizoen leven de bruine kikkers op het land. Je kunt ze dan ook bijna overal tegenkomen van tuin tot bos en grasland. Een deel van de populatie overwintert op land, en een deel in het water. De laatst genoemde groep trekt in het najaar naar het water. Bij milde temperaturen kunnen bruine kikkers tot en met december gevonden worden. Op zonnige winterdagen kunnen overwinterende dieren tijdelijk actief worden en bovengronds komen. Ze vormen dan wel een gemakkelijke prooi omdat ze traag zijn. Prooiresten in de vorm van sterrenschot of heksensnot is dan ook vaak te vinden op land. Sterrenschot is het gelei van de eieren van de bruine kikker wat niet gegeten wordt door de prooidieren.

Voedsel
Het voedsel van de bruine kikker is zeer divers: ongewervelde dieren als slakken, kevers, wormen en insectenlarven (wat in de bek past wordt vaak ook opgegeten). De larven (kikkervisjes) eten eerst het gelei van de kikkerdril en daarna algen. Geleidelijk eten ze meer dierlijk voedsel zoals watervlooien, slakjes, wormpjes en andere waterinsecten. Bruine kikkers eten ook vaak kleinere soortgenoten.


Voortplanting
De voortplanting vind plaats in het vroege voorjaar. In maart kunnen roepende mannetjes waargenomen worden. Ook de eiklompen zijn dan te vinden. Deze zijn gemakkelijk te tellen omdat de eiklompen op ondiepe, snel opwarmende plekken worden afgezet die na een tijdje aan de oppervlakte drijven. De eiklompen kunnen in ieder water worden afgezet, wel heeft het de voorkeur dat het visvrij moet zijn. Een vrouwtje legt enkele eiklompen per jaar en het legsel bestaat uit 1000 – 2500 eieren. April en mei zijn de beste maanden om larven te zoeken. Vanaf juni zijn de pas gemetamorfoseerde kikkertjes aan de oever te vinden.

IVN Hoogeveen Johan Scheeres ei bruine kikkerIVN Hoogeveen Johan Scheeres bruine kikker eiIVN Hoogeveen Johan Scheeres ei bruine kikkerBedreiging en bescherming.
De bruine kikker is thans niet bedreigd. De soort is wel beschermd volgens de Wet Natuurbescherming.

Het is altijd raadzaam om kikkers niet met blote handen op te pakken. Dit kan stress en beschadigingen aan de huid geven, omdat aan de handen altijd zouten en vetten zitten waar een amfibie niet tegen kan. Ook kan bij alle amfibieën het Rana virus aanwezig zijn en dit virus kan zeer besmettelijk zijn voor alle amfibieën in de omgeving. Als je al een kikker wil bekijken doe het dan met een schepnet en zet hem zo snel mogelijk weer terug in het zelfde water of land waar hij uitkomt.

Voor meer informatie zie de site van RAVON.

Tekst en foto's: Johan Scheeres

Mei: Gewone veldbies - Luzula campestris

Gewone veldbies lijkt op gras maar is een rus

Er zijn grassen, zeggen, biessoorten en russen. Beemdgras en kropaar zijn grassen, sterzegge en cyperzegge zijn zeggen, trekrus en pitrus zijn russen en dan heb je nog biessoorten: veldbies, bosbies, snavelbies, mattenbies en waterbies. De verschillende biessoorten behoren weer tot verschillende plantenfamilies. Gewone veldbies en Veelbloemige veldbies behoren tot de russenfamilie. Ingewikkeld, maar zo zijn deze wilde planten ingedeeld naar de bloeiwijze.

IVN Hoogeveen Hero Moorlag kleine veldbiesDe beide veldbiessoorten groeien op schrale grond: heidevelden, schrale bermen en niet bemeste graslanden waarin het gras niet al te hoog staat. Omdat de bladeren smal zijn, lijken ze op grassen, maar de bladeren komen bijna allemaal direct uit de wortels en bij grassen is dat niet zo. De randen van de bladeren zijn behaard met lange witte haren. Dat is een goed kenmerk van de beide veldbiessoorten. In de grond zit een wortelstokje dat maakt dat veldbies een overblijvende plant is. De bloei is ook anders dan bij grassen. De bloempjes zitten heel compact bijelkaar in hoofdjes. De gele helmknoppen vallen het meest op. De bloem op zich is bruin en stervormig. Veldbies staat van maart tot en met mei in bloei. Peuter een doosvruchtje eens open. De glanzend bruine zaden hebben een mierenbroodje bij zich. Mieren zijn er verzot op en verspreiden de zaden.

De Flora Batava geeft een overzicht van alle inheemse wilde planten in Nederland. De delen zijn in kleur geïllustreerd. Deel 1 verscheen in 1800, Deel 28 in 1934. Op bladzijde 193 van Deel 28 staat Juncus campestris, Veldbies. Tegenwoordig heet Gewone veldbies Luzula campestris. De Flora Batava beschrijft veldbies en zegt dan over “Huishoudelijk Gebruik” : “Een goed voeder voor schapen, vooral van belang om dat zij dit in het vroege voorjaar kunnen vinden. Brugmans noemt het op onder de onkruiden in de Weiden. De Bloemknopjes en Zaden hebben een zoeten smaak, en worden in Silesien door de kinderen gegeten, en aldaar Hazenbrood genoemd.”

IVN Hoogeveen Hero Moorlag waterbiesTekst en foto's: Hero Moorlag
 

April: De citroenvlinder - Gonepteryx rhamni

Citroenvlinder, de vliegende gele voorjaarsbode

De meeste mensen kennen weinig vlinders bij naam, maar de Citroenvlinder is bij velen wel bekend. Hij (dat zeg ik nadrukkelijk) is nauwelijks te verwarren met adere dagvlindersoorten met zijn felgele vleugels met de typische vleugelpunten. Bij het vrouwtje is dat anders. Zij is groenig-wit en wordt vaak verward met koolwitjes. Toch is ook zij goed aan de scherpe vleugelpunten te herkennen. De Citroenvlinders zijn ook zo bekend, omdat ze bijna het hele jaar vliegen.

IVN Hoogeveen Henk Bosma citroenvlindersDe Citroenvlinder is één van de dagvlindersoorten die als vlinder overwintert. Ze verbergen zich in het najaar op een beschutte plek en maken van hun lichaamsvloeistof een soort anti-vries. Ze kunnen dan moeilijk bewegen en zitten roerloos en zonder voedsel een paar maanden stil, maar ze kunnen dan wel temperaturen tot 18 graden onder nul overleven. Doe dat maar eens na! Ze beginnen al vroeg te vliegen in het voorjaar wanneer de temperaturen boven de 10 á 12 graden komen en ze hun anti-vries weer hebben omgezet. Ze gaan op zoek naar de vroegste bloemen om nectar op te zuigen en zo weer energie te krijgen. Je kunt ze in het voorjaar zien op de vroegste bloemen, zoals Maagdenpalm en Krokussen. In het voorjaar paren mannetjes en vrouwtjes en daarna gaan de vrouwtjes eitjes leggen op hun waardplant (de plant waar hun rupsen van eten). Dat is bij de Citroenvlinder de Vuilboom.

IVN Hoogeveen Joop Verburg citroenvlinder eitjesJuist wanneer de knoppen opengaan leggen ze daarop eitjes en de rupsjes beginnen te eten aan het allerjongste blad. Ze eten en vervellen een aantal malen en wanneer ze volgroeid zijn verpoppen ze aan de Vuilboom.

IVN Hoogeveen Joop Verburg citroenvlinder rupsIn juli komt daar dan een nieuwe generatie Citroenvlinders uit. En de ouders dan? Die leefden na het zorgen voor nageslacht nog een paar maanden als vlinder. Dat betekent dat een Citroenvlinder wel 11 maanden oud kan worden als vlinder. Dat is heel anders dan de meeste andere soorten en veel langer dan de meeste mensen denken. De Citroenvlinder is een bijzondere vlinder en een echte vliegende bode van het voorjaar.


Tekst en foto's: Joop Verburg, Natuurvereniging Zuidwolde
Foto parende citroenvlinders: Henk Bosma

Maart: De das - Meles meles

Het was in de zomer van 2006 dat ik samen met mijn vrouw ergens bij Zuidwolde in het bos ’s avonds aan het hardlopen was. Opeens hoorden we geritsel naast het bospad. We stopten abrupt en tot onze grote verrassing zagen we een grote das aan het wroeten, met zijn hoofd verstopt tussen de bladeren, in de grond. Dat wij, een paar meter verderop, hem aan stonden te gapen had ie helemaal niet door. Wat een prachtig en krachtig beest vond ik het! Het was voor mij liefde op het eerste gezicht. Hoewel ik, als lid van de Dassenwerkgroep Zuid-Drenthe, er inmiddels talloze keren heb van mogen genieten, blijf ik me verbazen over dit ietwat mysterieuze roofdier.

De naam roofdier vind ik echter wel wat negatief, aangezien zijn menu voor meer dan 75% uit regenwormen bestaat. Het is voor de rest een echte opportunist die zo ongeveer alles eet wat hem voor de bek komt. Muizen, kikkers, wespennesten, bessen, kadavers, emelten, mestkevers of fruit, het maakt Meles meles, zijn Latijnse naam,  niet uit.  In het najaar ontdekken ze al snel iets wat nog lekkerder is! Mais. Gelukkig kan de boer daar een goede schadevergoeding voor krijgen.

IVN Hoogeveen Bart Pijper das
Als je een klein kuiltje ziet met daarin een grote zwarte keutel met een halfverteerde maiskorrel, dan weet je zeker dat het een dassenputje, latrine, is. De putjes maken ze dikwijls op de grens van hun territorium maar ook vlak bij de dassenburcht zie je vaak veel latrines.

IVN Hoogeveen Bart Pijper das latrineDe dassenburcht is een opvallende verschijning in het bos en soms op de heide. Het begint vaak met één hol maar na tientallen jaren gebruik, kunnen meerdere generaties dassen een heel stuk bos transformeren in een heuvelachting terrein. Het is een echte grondwerker, die ondergronds een heel gangenstelsel met soms wel tientallen holen kan graven. 

Het slaaphol bekleedt de marterachtige met nestmateriaal die, vooral als jongen nog ondergronds zijn, iedere nacht wordt ververst. De jongen worden meestal halverwege februari geboren en komen pas in mei voor het eerst boven de grond. Dit is de periode dat we als werkgroep ’s avonds gaan monitoren hoeveel dassen er per burcht wonen. Soms is dat een standaardgezinnetje met drie jongen, maar dikwijls zijn er ook nog jongen van vorige jaren aanwezig en is het in een enkel geval een hele clan tot wel 14 dassen. Je ziet de dassen dan veelvuldig elkaar met het achterwerk ‘bestempelen’. De geurklieren doen dan hun werk en per burcht ontwikkelt zich op deze manier een eigen specifieke groepsgeur.

De kans dat je een levende das ziet is ondanks de toename van de afgelopen vijftien jaar nog steeds vrij klein. Als je er toch een ziet, dan hoef je totaal niet angstig te zijn, aangezien ze altijd op de loop gaan voor de mens. De meeste dassen worden langs de kant van de weg gezien. Soms loont het de moeite om, op een rustig weggetje, dan even de auto te stoppen en te genieten van de das in het licht van de koplampen.  Meestal zien we ze echter te laat. Ieder jaar wordt ongeveer een derde van de Nederlandse populatie in het verkeer gedood.

IVN Hoogeveen Bart Pijper das verkeersbordAls je goed oplet dan kun je, behalve in klei- of veengebieden wel op veel plekken sporen van de das vinden. Ze lopen bijna iedere nacht hetzelfde rondje. Duidelijke ‘wissels’ lopen door het bos en zijn vaak bezaaid met verloren nestmateriaal. Vooral als het heeft gesneeuwd zie je soms hele paden door het bos lopen. Hun karakteristieke stugge zwart-witte haren blijven vaak achter op laag gespannen prikkeldraad. De voorpoten van de das zijn door het vele graven sterk en breed en hebben vijf nagels.

‘Sssst!!’ Fluistert ze heel zachtjes. Vanuit onze uitkijkpost in een boom ziet mijn dochter als eerste twee jonge dasjes, al spelend, uit de burcht komen. Ik moet nu vooral stil zijn en mijn kramp in mijn been maar even negeren. Even later komen er uit een ander hol, nog twee pluizige jongen aangewaggeld. Stralend kijkt ze me aan en alweer beleef ik, net als 13 jaar geleden, samen een uniek dassenavontuur! Opdat er nog vele mogen volgen.  

Tekst, foto's en video: Bart Pijper

Februari: Gewoon Speenkruid - Ficaria verna verna

In het vroege voorjaar, op het moment dat koning Winter denkt ‘ik kan misschien nog eens even een speldenprik uitdelen’, als de zon aan kracht wint en de dagen lengen, dan kleurt ineens de slootkant geel. Uit het niets verschijnen daar prachtig goudgele bloempjes. Het bloemhoofdje is ongeveer 3 cm in doorsnee en op afstand lijken het kleine sterretjes met acht tot twaalf kroonblaadjes.
Speenkruid doet het eigenlijk overal goed. In parken, slootkanten, langs de weg maar ook in de eigen tuin. Als alles nog in diepe rust is dan komt ineens dit kleine wondertje tot bloei. Ze vallen ook pas echt op als de zon schijnt want dan openen ze het bloemhoofdje. Op een bewolkte dag zal je ze niet snel zien, ze houden van de zon en profiteren daar dan ook optimaal van want struiken en bomen zijn nog kaal. Tegen de tijd dat er blad aan struik en boom komt is het speenkruid alweer bijna verdwenen. De soort wordt tot schaduwflora gerekend. Ze voltooien de levenscyclus voor de rest wakker wordt.
De blaadjes zijn hartvorming, mooi vol groen en een beetje vlezig.

IVN Hoogeveen Bart Pijper speenkruidGewoon speenkruid is een tot 30 centimeter hoge, onbehaarde, voorjaarsbloeier uit de ranonkelfamilie. Oude namen voor deze plant zijn vijgwortel, hoaneklootjes of katteklootjes. De naam speenkruid is volgens sommige afgeleid van de vorm van de knolletjes die op kleine speentjes lijken, vergelijkbaar met een koeienuier. Ook worden er andere ideeën aan de naam toegedicht. Zo zou de naam afgeleid zijn van de toepassing tegen aambeien, oftewel speen. De naam vijgwortel heeft weer te maken met de Latijnse naam Ficus, dat vijg betekent.

De plant vormt grote pollen die als een tapijt de bodem bedekken. De wortels zijn deels spoel- of knotsvormig verdikt, de zogenaamde speentjes. Dit zijn de reserveorganen waaruit een volgend voorjaar weer nieuwe planten ontstaan. Ook kan het plantje zich ongeslachtelijk voortplanten. Dit gebeurt door okselknolletjes die vooral na de bloei zichtbaar achterblijven in de oksels van de bladstelen. Deze ‘stekjes’ dragen bij aan verspreiding van de soort.

IVN HGV Bart Pijper speenkruidSpeenkruid is een heel leuk plantje in een iets wildere tuin. Tegen de tijd dat de grotere bloembollen of voorjaarsbloemen tevoorschijn komen is het speenkruid alweer vertrokken en het trekt zich voor de rest van het jaar terug in de bodem.

Bijzonderheden:
Vroeger was het een probaat middel tegen scheurbuik omdat de plant veel vitamine C bevat. De Duitse volksnaam voor speenkruid is scharbockskraut
Jonge blaadjes kunnen, voor de bloei begint. Jonge speenkruidblaadjes kun je even blancheren als spinazie om het al bijgroente te eten.
Zodra de plant gaat bloeien komt er een stof vrij, protoanemonine. Dit is een gifstof. De wortels zijn prima eetbaar maar je moet ze wel even gaarkoken.
Het advies bij eten van blad en of wortel, niet te veel eten in verband met de gifstof.
De bloemknopjes kunnen worden ingemaakt als kappertjes
Medicinaal is speenkruid geschikt voor allerlei kwaaltjes. Slechte werking van aderen, aambeien en spataderen. Het heeft ook een bloedzuiverende, pijnstillende en ontstekingsremmende werking.

Het recept voor kappertjes:
Dit kan met bloemknoppen van speenkruid maar ook van madeliefjes.
Het zijn bloemen die ook de beginnende wildplukker kan herkennen
Iedereen heeft ze wel in de omgeving staan. De prachtige bloempjes zijn goed eetbaar

Wat heb je nodig:

  • Twee handen (vol) gesloten bloemknopjes van speenkruid of madelies
  • 1 eetlepel gekneusde peperkorrels
  • 1 teen knoflook
  • 2 sjalotten
  • 0,5 l witte wijnazijn.
  • Schone potjes met een passend schone deksel.

Maak een pot met deksel heel goed schoon. Verwarm dan de azijn (niet laten koken). Voeg de sjalotten, knoflook en peperkorrels toe aan de azijn en laat circa 10 minuten in de warme azijn trekken. Zeef en laat de azijn afkoelen. Voeg de speenkruidknoppen toe en laat ze een paar weken in een gesloten pot staan. Klaar zijn je kappertjes!

IVN Hoogeveen Bart Pijper speenkruid

Tekst: Grietje Loof
Foto's: header Hero Moorlag, overige Bart Bijper

Januari: Kruipers en Klevers
 

Het is winter. Het Steenbergerpark lijkt verlaten, maar dat is schijn. Tegen de avond ruziën merels om een slaapplaats. Het zijn vogels die immuun zijn voor het usutu virus dat de dodelijke merelziekte heeft veroorzaakt. Enkele roeken, zwarte kraaien en kauwtjes zoeken voedsel op de heuvel. In het oude kanaal zwemmen eenden, meerkoeten en waterhoentjes. Met een beetje geluk zie je een ijsvogel.

In de ochtend zijn boomkruiper en boomklever actief. De boomkruiper hoor je nauwelijks en hij is moeilijk te zien tegen de ruwe stam van een eik langs het Flokstrapad. Als een muisje kruipt het grijsbruine vogeltje spiraalsgewijs langs de stam omhoog. Altijd omhoog, want naar beneden kruipen kan hij niet. Eenmaal boven, vliegt hij naar beneden en begint onderaan de volgende eik omhoog te kruipen. Met het kromme snaveltje peutert hij larfjes en spinnen uit de schors.
IVN Hoogeveen Hero Moorlag boomkruiper
De boomklever is heel anders, ook kleuriger en luidruchtiger. Blauw van boven, roserood van onderen, korte sterke snavel en een heldere roep die je van verre hoort. Het lijkt of hij tegen de eikenstam kleeft, want hij kan evengoed omhoog, naar beneden of opzij langs de stam of een tak kruipen. Ook op de kop hangend weet hij prooidieren in de ruwe schors te vinden. Een kleurige vogel die je veel sneller ontdekt dan de boomkruiper met zijn perfecte schutkleur. IVN Hoogeveen Hero Moorlag boomkleverOver enkele maanden begint voor beide vogels het broedseizoen. De boomkruiper maakt een nestje achter een loszittende stuk schors, de boomklever zoekt een nestkastje of een oud nestgat van een specht. Twee verschillende vogels in dezelfde biotoop van het Steenbergerpark.

Tekst en foto's: Hero Moorlag

2019  

December

Eik; Quercus
November  Grauwe gans; Anser anser
Oktober Gele ringboleet; Suillus grevillei

September

Regenworm; Lumbricidae
Augustus Eekhoorn; Sciurius vulgaris
Juli Heidelibel; Sympetrum
Juni Schaatsenrijder; Gerris lacustris
Mei Grote brandnetel; Urtica dioica
April Oranjetipje; Anthocharis cardamines
Maart Ringslang; Natrix natrix
Februari Gaai; Garrulus glandarius
Januari Pestvogel; Bombycilla garrulus
2018  
December

Ree, Capreolus capreolus

November Egel, Erinaceus europaeus
Oktober Zwerminktzwam, Coprinellus disseminatus
September Pissebed, Isopoda
Augustus Dwergvleermuis, Pipistrellus pipistrellus
Juli Grote keizerlibel, Anax imperator
Juni Schrijvertje, Cyrinus natator