Augustus: Eekhoorn - Sciurius vulgaris

Eekhoorn, de acrobaat in de bomen.

De eekhoorn wordt ook wel vaak gewone- of rode eekhoorn genoemd. De Latijnse naam is Sciurius vulgaris en betekent ‘Schaduwstaart’. Dit vanwege de karakteristieke zithouding, de staart over de rug.
Het is een boombewoner die, de titel zegt het al, als een acrobaat door de bomen rent en springt. De eekhoorn is net als bevers, hamster en muizen een knaagdier. Het is zoals gezegd een boombewoner maar ook op de bosbodem is hij goed thuis.

Wat zijn de kenmerken van de eekhoorn

  • De staart over de rug, grote pluimstaart
  • Grote ogen
  • Gepluimde oren
  • Lange tenen met lange en scherpe nagels.
  • De wintervacht is donkerder en grijzer dan de zomervacht. De vacht varieert van kastanje tot donkerbruin en de buik heeft een witte vacht. Deze steekt flink af tegen de rugvacht.
  • Kop-romplengte: 21 - 25 cm
  • Staartlengte: 14 – 22 cm
  • Gewicht: 230 – 415 gr
  • Mannetjes en vrouwtjes zijn even groot.

IVN Hoogeveen Bart Pijper eekhoorn

Waar vinden wij de eekhoorn
In grote delen van Nederland komt de eekhoorn voor. Voor 1970 brak er een virusziekte uit waardoor de eekhoorn in hee het land zeldzaam werd. Na 1970 is het aantal enigszins hersteld. Ze komen voor in loofbos, gemengd bos en naaldbos, maar ook in tuinen en parken. De laatste twee zijn vooral interessant als er voldoende voedsel te vinden is. Het bos of park heeft bomen die zeker ouder zijn dan 20 jaar omdat daar meer voedsel maar ook nestgelegenheid is. Eekhoorns bouwen hoog in de bomen nesten, minimaal 5 meter van de grond. Deze zijn in de winter, als de bomen kaal zijn goed te zien. Een nest is bolvormig en zo groot als een voetbal. Het nest wordt bekleed met zacht materiaal, mos, gras en soms wol. Ze kunnen goed springen en bewegen en klimmen behendig tussen takken van bomen. Een eekhoorn daalt altijd met zijn kop naar beneden van een boomstam af. De staart dient als evenwichtsorgaan bij alle acrobatische toeren die de eekhoorn uithaalt. Eekhoorns kunnen uitstekend zwemmen.

De eekhoorn kent geen winterslaap maar is wel minder actief in de winter. In de herfst eten ze extra veel om een vetreserve aan te leggen. We kennen de eekhoorn ook wel van de voedselvoorraden die ze aanleggen in de herfst. Ze verstoppen voedsel in de grond maar ook in boomholtes of oksels van bomen. Eekhoorns die hun voedsel niet terugvinden zorgen zo ook voor verspreiding van zaden. Ze kunnen het meestal goed terugvinden dankzij hun reukvermogen. Als het echt slecht winterweer is dan blijven ze meestal een paar dagen in hun nest. Het voedsel is afhankelijk van het jaargetijde maar alles wat het bos aan vruchten voortbrengt eten ze. Knoppen, noten, eikels, vogeleieren, paddenstoelen, schors, bessen, bladeren, kegels van naaldbomen en nog meer boomzaden.

Accepteer cookies
Er wordt een hoofdnest gebouwd maar in de omgeving ook nog een aantal reservenesten. Dit kunnen ook oude nesten van kraai of ekster zijn. Eekhoorns leven alleen en hebben hun eigen leefgebied. Daar wordt ook al het voedsel gezocht. De gebieden waarin ze leven kunnen door meerdere eekhoorns worden bewoond. Het enige wat ze verdedigen is het slaapnest. De territoria van de mannetjes is groter dan die van de vrouwtjes. In de paartijd slapen mannetje en vrouwtje regelmatig samen in hetzelfde nest en zodra de jongen zijn geboren wordt het mannetje niet meer geduld. De paartijd is van december tot februari, de geboorteperiode tussen mei en juni. Zoals bij veel meer dieren het geval is slaan vrouwtjes een eerste periode vaak over als er weinig voedsel is. De draagtijd is 5 tot 6 weken. In deze periode bouwt het vrouwtje het kraamnest. Dit is doorgaans steviger dan een gewoon nest en gemaakt van gevlochten takken en dik bekleed met gras. Er worden 2 tot 5 jongen geboren. Ze zijn niet alleen kaal, ze zijn ook blind. Na een week of vier gaan de oogjes open, ze hebben dan inmiddels al een vacht. De jongen worden 10 weken gezoogd. Het is dus een zoogdier. Daarna zijn ze snel zelfstandig en na een maand of drie worden ze weggestuurd om een eigen territorium te gaan zoeken. In het wild kunnen ze ongeveer 7 jaar worden maar meestal sterven ze jonger.
 

Tekst, foto: Bart Pijper
Video: Grietje Loof