Valkenswaard-Waalre
Bomen & Struiken
dinsdag14mrt2017

De Ginkgo biloba

Ginkgo biloba HarderwijkNu eens aandacht voor een exoot. Een aardig ingeburgerde buitenlander uit het verre oosten afkomstig. Lange tijd geleden is deze boomsoort al in de westerse wereld terecht gekomen. Een rondreizende Europeaan Engelbert Kaempfer ontdekte de boom in 1690 in Japan en rond 1762 kwam de eerste tot ontwikkeling in de beroemde botanische Kew Gardens in Londen. Geleidelijk aan vond daarna verspreiding plaats in een groter gebied van W.Europa en ook N.Amerika. Meest in parken en grote tuinen. Het bleek toen een betrekkelijk gemakkelijke boom te zijn met aantrekkelijke eigenschappen. Bijna alle grondsoorten zijn geschikt, schaduw en zon worden graag gedeeld, de standplaats naast een weg is goed want de boom verdraagt luchtvervuiling en zout, ook kleine ruimte wordt verdragen en het blad verkleurt in het najaar naar fraaie gele tinten. Ondanks trage groei de eerste jaren na het planten wordt de boom op den duur flink hoog en breed piramidaalvormig. En oud. Heel oud. Zelfs enkele duizenden jaren is mogelijk. Er bestaan al heel oude exemplaren zoals die eerste in de Kew Gardens en de prachtige boom in de Linnaeustuin in Harderwijk.

Deze wel bijzondere boom is in vele opzichten merkwaardig. Eigenlijk was de boom in de Westerse wereld onbekend totdat de ontdekking in het oude Japan de aandacht er op vestigde. Na enige tijd bleek toen al dat de boom toch helemaal niet zo zeldzaam was en in centraal China en Korea ook voorkwam. Ook werden (worden) er daar traditionele  toch niet geheel ongevaarlijke geneesmiddelen uit gemaakt. In veel Oost-Aziatische landen geldt de ginkgo bovendien als een geliefd voedingsmiddel en is er ook een eigen benaming voor de boom. Een foutieve spelling al door Kaempfer van de naam “yin guo” (Gingko) heeft geleid tot de officiële Europese “Ginkgo”.

Ginkgo biloba tak

In 1771 benoemde Carl Linnaeus de boom tot “Ginkgo biloba”. Daarbij is de soortnaam “bi-loba” oftewel “twee-lobbig” een duidelijke verwijzing naar de bladvorm. Er is dikwijls een insnijding in de voorrand te zien.  Het blad valt op door de waaiervorm en de uitstralende stand van de vele lengtenerven. Zo lijkt de Engelse volksnaam “Maidenhair” ook beter te begrijpen. Toch is deze naam ontstaan door een vage gelijkenis met de Maidenhair Fern (Adiantum capillus veneris).

Deze wonderboom is in vele opzichten een bijzonderheid. De soort is de enige nu bestaande vertegenwoordiger van een bepaalde orde genaamd Ginkgoales. Maar bij geologisch onderzoek van rotslagen uit de Jura en het Krijtperioden zijn nauw verwante fossiele vormen gevonden die er op duiden dat er al in het Perm zo’n 270 miljoen jaar geleden verwanten bestonden. Nog ruim voor de tijd van de Dinosauriers dus. Zij vormden zelfs een tijdlang een hoogtepunt in de begroeiing. De huidige meest verwante ordes zijn die van de zeldzame “Gnetophyten” (o.a. Welwitschia) en de “Cycads”. Samen vormen ze met de grote groep van de meer bekende “Coniferen” de clade van de Gymnospermen = Naaktzadigen.

Ginkgo biloba vruchten

Een bijzondere boom is het dus wel. En dat geldt zelfs in diverse opzichten:

  1. De Ginkgo is eenslachtig en tweehuizig. Er zijn aparte manlijke bomen en vrouwelijke.
  2. De Ginkgo verliest in het najaar het blad. De verwanten in de orde doen dat niet.
  3. Het DNA is driemaal omvangrijker dan dat van de mens.
  4. De soort kan duizenden jaren oud worden en een forse hoogte bereiken.
  5. De Ginkgo groeit gemakkelijk onder bijna alle omstandigheden.
  6. Vruchtvorming levert bruine gladde zaden met een abrikoosachtige geelwitte sappige omhulling (J.:”silver apricot”). Hier is enige gelijkenis met de Taxusvrucht.
  7. De 2 hoofdnerven in de bladsteel vertakken zich regelmatig (dichotomie) en waaiervormig in het blad maar zijn verder niet met elkaar verbonden.
  8. De geslachtelijke voortplanting is ingewikkeld. De manlijke bomen dragen kleine katjesachtige sporenkegels die sporophylls (sporenhoudend blad) dragen. Elke sporophyll bevat twee microsporangia rond een as staande.
  9. De vrouwelijke bomen hebben geen kegels. Aan de top van de tak komen twee eicellen. Deze worden door pollen bevrucht en ontwikkelen zich tot zaden met een bruingele vlezige omhulling – sarcotesta, die later door boterzuur vorming stinkend gaat rotten. Het ovale zaad bestaat uit een harde dop – sclerotesta met daarbinnen een papierdunne binnenwand -  endotesta. De kern - nucellus bevat de gametophyt.
  10. Eén van twee bewegelijke spermacellen met veel zweepstaarten versmelt met de archegonien.

De voortplanting van de meeste landplanten bestaat uit twee delen: de geslachtelijke phase van de Gametophyten, de haploide phase (n) met een enkel stel chromosomen in de gameten en daarnaast de ongeslachtelijke verspreidings phase van de Sporophyten met de diploide (2n) generatie voorzien van een dubbel stel chromosomen. De laatste is bij alle vaatplanten de overheersende phase.

De vorming van de haploide (n) kleine manlijke stuifmeelkorrels (microsporen), die b.v. door wind of dieren verspreid worden naar de grote vrouwelijke eicellen, vindt plaats in de manlijke stuifmeelkegels. Bij dit proces – meiosis geheten -  worden de chromosomen over twee cellen verdeeld.  Van (2n) dus naar (n). De vorming van de eveneens haploide (n) grote vrouwelijke megaspore vindt plaats in de embryozak die in de eicel ligt. De stuifmeelkorrels dringen hier naar binnen, rijpen verder en vormen spermacellen. Eén daarvan versmelt daarna met de kern in de eicel.

Door deze bevruchting ontstaat de diploide (2n) zygote die vervolgens zal uitgroeien door celdelingen (mitosis) tot een embryo. Daaruit ontstaat dan een zaad dat zal kiemen en zo de bron kan worden van een nieuw individu.

Al met al blijkt dit wel een moeilijk onderwerp te zijn. Bij het zoeken van goede afbeeldingen zijn er heel weinig die de bloeiwijzen laten zien.

Wie de Ginkgo in levende lijve wil zien moet maar eens in Valkenswaard de bomen in de Karel Mollenstraat Zuid bekijken. Zijn het mannen of vrouwen?

Jan van Twisk
Waalre, 13-3-2017

Meer natuurweetjes