Gasselse bos

Het Gasselse bos 

“Door de bomen zien we hoe hier Maas en mens een loopje namen met het landschap...”

Van heide naar bos

Wie vandaag de dag naar het Gasselse bos gaat zit eigenlijk fout. De oorspronkelijke Geester- en Gasselse bossen lagen tot in de negentiende eeuw ten oosten van Gassel in de bedding van de Beersche Maas die gedurende zevenhonderd jaar vanaf Katwijk als overlaat heeft gefunctioneerd. Deze bossen zijn toen gekapt om het water ten noorden van Gassel sneller te laten terugstromen naar de rivier. Het huidige Gasselse Bos ten westen van Gassel ligt op oude rivierduinen. In de dertiger jaren van de twintigste eeuw vanuit de werkverschaffing aangelegd om het stuifzand in te perken. Het was eerder een heidegebied dat vanwege de behoefte aan vlees, wol en mest te veel door schapen was begraasd. Samen met de Vogelvijvers gaat het hier om een gebied van zo’n vijftig hectare dat eigendom is van de gemeente Grave.

De Gasselse Heide en Vogelvijvers

De Gasselse heide is in de dertiger jaren ten behoeve van de houtproductie  beplant met douglasspar, grove den en lariks. Struikheide vinden we nog waar naaldbomen niet de gehele bodem beschaduwen en het strooisel van de bomen niet te voedselrijk is. 

Vogels en wind zorgden via eikels, nootjes en bessen voor zaad van loofbomen die in de luwte van de dennen opkwamen: eik, beuk, esdoorn, berk, haagbeuk, lijsterbes, hulst, vuilboom, inlandse en Amerikaanse vogelkers. De tamme kastanjes en Amerikaanse eiken langs de Heidestraat als oude, doorgaande weg zijn echter aangeplant.

Het westelijk deel van het gebied noemt men de Vogelvijvers. Hier liggen een aantal poelen, die het leefgebied vormen voor amfibieën en waterinsecten, en springen hoogteverschillen het meest in het oog.

Aan de huidige bosranden liggen meerdere dassenburchten. Tevens leven er reeën, vossen, kleine marterachtigen en vleermuizen. De buizerd, ransuil en steenuil broeden hier en in de winter tref je, ‘t ene jaar meer dan het andere, sijzen. Dan schuilen hier zwermen goudhaantjes uit het noorden van Scandinavië en uit Siberië. In de lente laten zich vervolgens met enige regelmaat de wielewaal en koekoek horen.

Tegenover de achtkantige graanmolen uit 1808 ligt de Galgenberg. Als waarschuwing op een hooggelegen punt buiten de dorpskom aan de oude, doorgaande weg stond hier net als achter Kouwenoord in Velp, wellicht een galg. Voor de tweede wereldoorlog is deze behoorlijk hoge zandduin afgegraven voor de bouw van de kazerne in Grave. Omdat het aanplanten van het bos toen al was afgerond is de resterende zandvlakte niet bebost. Nu is het hier de moeite waard om te zien om wat voor zand het gaat, hoe buntgras en zandzegge opkomen, her en der haarmos een roodbruin tapijt vormt, korstmossen opkomen en éénjarige plantjes zich melden voordat berken hierachter het laatste overblijfsel van de Gasselse hei helemaal bebossen.

Midden in het bos ligt het grootste ven, het zogenaamde Soldatenkanaal, eveneens door militairen gegraven om zand te winnen voor de bouw van de Generaal de Bonskazerne. 

Hoezeer het bos ook onder druk staat van recreatie, toch vormt deze oorspronkelijk Gasselse Heide een belangrijke ecologische verbinding voor dieren en planten tussen de Maasuiterwaarden met het bosje van Villa Nova en de Broekse Wielen, Vogelhoek, Meisevoort, Tongelaar, Maurik en Raamdal met het Langven.

Rivierduinen

De ontwikkeling van rivierduinen langs de Maas, zoals bij Gassel, in het centrum van Grave, bij Linden en Katwijk, in de Maasheggen en rond de Haterse en Overasseltse vennen, is interessant. Dit opgewaaide zand is door de rivier aangevoerd in de laatste ijstijd met een toendraklimaat  en lange, erg koude winters. De ondergrond bleef  bevroren, slechts een ondiepe bodemlaag ontdooide in de zomer. De Alpen en Ardennen hadden indertijd grote ijskappen. Hiervandaan kwam in de zomermaanden veel kolkend smeltwater met grind en zand. Net als de Rijn veranderde de Maas hier in een kilometers brede rivierdelta met kleinere en grotere geulen. De Graafsche Raam stroomt in zo’n geul. In de lange wintermaanden lagen deze riviergeulen droog als kale zandvlaktes. De wind had vrij spel omdat er weinig vegetatie was. Bij overheersende westenwinden “belandde” het zand tegen wat begroeiing en vormden zich rivierduinen.

Bosbeheer

Na de aangehaalde ijstijd tot zo’n vijftienduizend jaar voor onze jaartelling raakte Nederland ongeveer tienduizend jaar geleden grotendeel begroeid met loofbos: eik, iep, linde, es en els. Toen de landbouw zesduizend jaar geleden van de grond kwam vestigden mensen zich ergens permanent. Op vruchtbare gronden rond hun nederzettingen kapten zij het bos om akkergewassen te telen als graan en bieten.

Uiteindelijk bleven slechts de meest slechte gronden als bosgebied gehandhaafd. Door de bevolkingsgroei in de negentiende eeuw kapte men ook deze bossen massaal voor brandstof en bouwmateriaal.

Bij ‘n goede waterhuishouding maakte men deze bosgronden met stalmest vruchtbaar voor akkerland. Op de te droge of natte bosgronden liet men schapen en geiten grazen. Zo ontstonden uitgestrekte heideterreinen.

Rond 1900 was nog slechts vijf procent van het Nederlandse oppervlak bedekt met bos, de overige gronden die niet voor de landbouw in cultuur waren bestonden vooral uit heide, zandverstuivingen, kwelders en duinen.

Die zandverstuivingen ontstonden door overbeweiding van heidevelden met schapen voor het leveren van wol en voor de akkerbouw nodige mest. De zo ontstane open zandvlakten gingen verstuiven. Dit ging men tegen door ze onder andere te beplanten met grove den. Dit was het  begin van Staatsbosbeheer in Nederland.

De komst van kunstmest  maakte schapenmest in de landbouw overbodig en doorbrak de relatie akkerbouw – schapenmest – heide. Staatsbosbeheer liet steeds meer heideterreinen bebossen. De opbrengst van de bosbouw gebruikte men voor de bouw en mijnen. Dit vroeg om lange rechte stammen met weinig zijtakken (noesten). Door een dichte aanplant op deze ware houtakkers zetten bomen alle energie in de richting van het licht oftewel de hoogte in.

Pas na 1960 kwam erkenning voor de natuurwaarden van bossen. De laatste vijfentwintig jaar vormt  men steeds meer houtakkers om tot een natuurlijker bostype, waarin vooral de inheemse loofbomen domineren als de eik, haagbeuk, beuk, berk en lijsterbes.

Zo is ook het Gasselse bos de afgelopen jaren vanuit een modernere visie op landschapsbeheer onder handen genomen en recentelijk zelfs ‘n stukje uitgebreid als compensatie voor wat elders in de gemeente aan bomen sneuvelde.