2020 08 Duiven in soorten, Gert-Jan Roebersen

Duiven zijn een heel gewone verschijning in het straatbeeld, je let er meestal nauwelijks op. Zij behoren tot de meest voorkomende vogels in de stad. Heeft u eigenlijk wel eens beter naar die koerende vogels gekeken? Dan is het u misschien opgevallen dat zij er niet allemaal hetzelfde uitzien.

avn houtduif, Diana Erkelens

De houtduif is het talrijkst in ons land, zowel in de bossen als in de bebouwde kom. Hij is de grootste (40 cm) en dikste, hoofdzakelijk grijs en herkenbaar aan de witte nekvlek en vleugelstreep. Hij maakt het bekende koerende geluid: roe-KOE-koe, roekoe, met de klemtoon op de tweede lettergreep. Hij broedt in bomen, dus die moeten – bijvoorbeeld in parken – wel in de buurt staan. Allerlei soorten plantaardig voedsel staan op zijn menu, dus in de stad weet hij zijn kostje wel te vinden.

De Turkse tortel ziet er heel anders uit: kleiner (31 cm) en slanker dan de houtduif. In de stedelijke omgeving komt hij ongeveer evenveel voor. Hij is herkenbaar aan de beige-bruine kleur en een dunne zwarte halsring. Het geluid is een zacht, altijd drielettergrepig koe-KOE-koe (“I love you”). Bij opvliegen een korte kreet “wèèh”, die zo anders klinkt dat ik aanvankelijk niet in de gaten had dat het om dezelfde vogel ging. De Turkse tortel broedt ook bij voorkeur in bomen. Het bijzondere aan deze vogel is dat hij tot halverwege de 20e eeuw niet in Nederland voorkwam. Geheel op eigen kracht, zonder dat mensen hem meenamen, heeft hij zich uit Zuidoost-Europa over het grootste deel van het continent verspreid. Hij beschikt ook over een flink voortplantingsvermogen (tot wel vijf legsels per jaar) en de jongen trekken over grote afstand weg.

Tenslotte is er nog de stadsduif, een afstammeling van de rotsduif uit het Middellandse Zeegebied. Je herkent hem aan de zwarte strepen op zijn vleugels. Het geluid is een laag, eenlettergrepig gekoer, anders dan van de vorige soorten. Deze soort zie je vooral in binnensteden, bijvoorbeeld op de Dam in Amsterdam, waar zij door toeristen gevoerd worden. Niet voor niets worden zij ‘vliegende ratten’ genoemd: zij stelen een broodje uit de handen van onoplettende toeristen, en vliegen vrolijk open deuren van cafés en winkels in en uit. Zij lijken veel op de gekweekte postduiven van duivenmelkers, die een grote variatie in uiterlijk vertonen.

Anders dan de vorige soorten broeden zij vooral op en bij huizen: dakgoten, richels en kleine balkonnetjes zijn al voldoende.

De twee andere inheemse duivensoorten, de holenduif en de zeldzaam geworden zomertortel, zult u niet gauw in West-Nederland in de bebouwing aantreffen.

Misschien kunt u de volgende keer dat er een duif in uw tuin of op uw balkon zit, of langs vliegt, eens goed kijken om welke soort het gaat, of luisteren of u het geluid herkent.

Gert-Jan Roebersen
Natuurgids IVN Amstelveen


Het is verboden deze column te dupliceren of te gebruiken zonder uitdrukkelijke toestemming van de schrijver/fotograaf/tekena(a)res.