Bomen en struiken
Bladeren: kleur, nerf, moes, bewoners
Aan het eind van de lente, op de drempel van de zomer, wil ik stil staan bij de vele bladeren die nu de bomen vullen, het skelet van takken en stam verbergend. Daarmee krijgt mijn omgeving een totaal andere beleving. Geniet ik volop van de vele kleuren en aspecten die deze bladeren te bieden hebben. Kijk je mee?
Deze keer geen uitvoerige beschrijving van de functie van het blad, of de bouw. Daarover schreef Marieke Grijze al in de Karwij zomer-editie van 2019. Al wandelend in mijn buurt laat ik me deze keer vooral leiden door wat ik al kijkend ontdek.
Allereerst geniet ik van de grote diversiteit aan kleuren, die gedurende de maand april/mei veranderen. Het zachte, tere groen wordt harder, donkerder. Dat is me al wel vaker opgevallen. Maar nu ik bewust kijk zie ik dat sommige bladeren eerst rood-bruin zijn, al groeiend groen worden. Zou dat het omgekeerde proces zijn, dat ik ook in de herfst waarneem als het blad van groen naar bruin verkleurd?
Ze naast elkaar leggend valt direct ook de enorme verscheidenheid op in de vormen. Van gladde rand tot lobbig, gekarteld. Met diepe inkepingen alsof het om meerdere bladeren gaat. De bladnerven tot aan de rand reikend. Of toch niet bij allemaal. Inderdaad, bij de kornoelje buigen de nerven mee met de bladrand. En wanneer ik het blad zachtjes doormidden scheur, op advies van een medewandelaar, blijft het blad aan elkaar hangen aan de nerven. Grappig.

Diverse bladeren , kleurend van bruin naar groen. Rechtsboven het jonge blad van de populier heeft meer glans. Rechtsonder, het blad van de kornoelje, waarvan bij het scheuren de nerven als draadjes het blad nog even bijeen houden.
Diezelfde bladnerven overleven langer dan het bladmoes. Ik heb wel vaker bladeren gevonden waar het bladmoes uit verdwenen was. Je kunt dat zelf doen door het blad met soda te koken, het bladmoes er zachtjes met een tandenborstel uit te halen en het blad dan te drogen. Een hele klus. Maar in de lente of zomer, kun je ze ook op de grond vinden. Dan heeft de natuur het werk voor jou gedaan. Vooral het blad van de populier kun je gemakkelijk vinden en wordt in sommige culturen heel fraai beschilderd.

Wanneer het bladmoes verdwenen is vormen de nerven samen een fraai lijnenspel.
Het feit dat het bladmoes zachter is dan de nerven, dat weten dieren ook. Kijk maar eens naar het spoor van de bladmineerders. Dit zijn de larven van vliegen, mineermotten, zaagwespen enz.. Zij eten het bladmoes dat zich bevindt tussen de boven- en onderlaag van het blad. Ze maken een soort mijngang, waaraan ze hun naam danken. Komt de mineerder bij de hoofdnerf dan draait hij om. De diverse larven hebben andere eetpatronen en kiezen elk hun specifieke plant. Ook verschillen de gangen van kleur, bijvoorbeeld door de vloeibare uitwerpselen die in de gang liggen. Er zijn mensen die aan de patronen herkennen om welke mineerder het gaat.
Kijk je goed, dan zie je waar het eitje gelegd is waaruit de mineerder is gekropen. Want het smalle beginspoor wordt steeds breder naarmate de mineerder groeit. Uiteindelijk zal het dier het blad verlaten. Een beruchte mineerder is de paardenkastanjemineermot, die vooral als hij in grote groepen op een boom zit, zorgt dat de bladeren al in juni of juli van de boom vallen, waardoor de boom ernstig verzwakt omdat de stofwisseling stagneert. Deze mineermot is in Nederland sinds eind vorige eeuw, kent weinig natuurlijke vijanden. De pimpelmees lust de larve wel, maar kan de grote hoeveelheden niet aan.

Bladmineerders: bij beiden volgt het spoor bij de hoofdnerf een andere richting. Rechts zie je duidelijk dat het spoor smal begint en breder eindigt.
Inmiddels kom ik al wandelend langs een blad dat bezocht is door galwespen. Deze leggen hun eitjes in de bladschijf. Het blad vormt een kapsel rond het eitje, waardoor een bladgal ontstaat. De larven van galwespen voeden zich met het bladmoes. Bladgallen, galappels zijn er in veel soorten. Van heel klein tot echte joekels, zoals de aardappelgal. Deze vind je in eikenbomen. Het larfje van de aardappelgalwesp zal deze zomer volwassen zijn en uitvliegen. De mannetjes en vrouwtjes zullen paren, en daarna kruipen de vrouwtjes in de grond en zetten hun eitjes af op de jonge wortels. In de gallen aldaar, groeien larven op tot vleugelloze vrouwtjes, die al lopend in bladknoppen hun eitjes afzetten. Blijkbaar hebben ze in deze fase van hun levenscyclus geen mannetjes nodig.
De galwesp spuit wat gif in de bladknop waardoor het bladweefsel zwelt en zacht wordt. Daarna scheiden de circa dertig larfjes in die knop stoffen af, waardoor de gal in grote toeneemt. Zo hebben de larfjes voldoende voedsel en zijn ze prima beschermt tegen vijanden.

Links heel kleine bladgallen, rechts een aardappelgal die je op eiken kunt vinden.
Ik heb genoten van mijn wandeling en hoop dat ik je geïnspireerd heb om ook in jouw buurt de bladeren eens goed te bekijken. Veel plezier daar mee.
Tekst en beeld: Corlène van den Camp