Akkeronkruiden en graanakkers
Akkeronkruiden
- Beheer In het najaar spitten, kweekgras e.d. verwijderen, eventueel bekalken, eventueel bijzaaien maar hoeft in principe niet; in maart licht doorharken, juli-augustus zaadwinning, september-oktober afmaaien en maaisel afvoeren.
- Akkeronkruiden voorbeelden
Korenbloem, valse- en echte kamille, grote klaproos, bolderik, dauwnetel, smalbladige wikke, veelkleurig vergeetmijnietje, akkerviooltje, herik, korensla, kleine leeuwenbek (alle neutrale of lichtzure grond)
Bij voldoende kalk: groot en klein spiegelklokje, gipskruid, naaldenkervel, blauw walstro, akkerbedstro, aardakker, akkerzenegroen, koekruid en pekbloem
Verdere namen: akkerandoorn, akkerwinde, akkerleeuwenbek, boerenkrodde, duidkervel, guichelheil, ganzenbloem, kromhals, phacelia, gewone spurrie, en zwarte nachtschade.
- Oorsprong
Ze zijn vaak meegekomen uit het Midden Oosten en Zuid West Azië met de granen en andere vruchten.
- Waar
Ze komen vooral in beeld bij akkers waar de graanopbrengst van secundair belang is en de graanhalmen vooral als steun kunnen dienen voor de akkeronkruiden (met name de halmvruchten): het graan is nog niet optimaal gezuiverd, niet bespoten met insecticiden of onkruidverdelgingsmiddelen, niet zwaar bemest (dan groeit graan veel te fors uit, gevolg stengel zwak en bij regen al snel plat; akkers wel bekalken) en relatief dun gezaaid.
- Karakteristiek voor akkeronkruiden
Akkers jaarlijks ploegen en inzaaien; wilde planten die in zulk een regelmatig verstoorde omgeving passen, ‘worden’ akker(on)kruiden (voor de boer zijn het onkruiden omdat ze een lagere graanopbrengst veroorzaken en het graan vervuilen: giftige bijmenging)
- Twee groepen akkeronkruiden onderscheiden we:
- Halmvruchten ze staan tussen de korenhalmen die ze veelal als steun benutten; hun levenscyclus past bij de graancyclus; ze hebben het ritme van het graan: vrijwel gelijke kiemtijd, zaadvorming voor de graanoogst afgerond; kunnen niet tegen wieden, maar dat gebeurt ook niet tussen graan.
Voorbeelden: korenbloem, bolderik, knopherik, gele ganzenbloem, groot spiegelklokje.
- Hakvruchten staan tussen ‘vruchten’ (knollen, bieten, aardappelen, op de heemtuin ook tussen de mosterd, vlas enz., waartussen met de hak -omgekeerde schoffel- gewied, gehakt wordt; het zijn dus planten die zeer snel zaad vormen of waarvan de plantendelen gemakkelijk weer wortelen).
Voorbeelden: akkerleeuwenbekje, knopherik, gele ganzenbloem.
Graanakkers
- Beheer
Jaarlijks spitten, bekalken en natuurlijk (geen kunstmest) bemesten; spelt verdraagt geen kunstmest, tarweperceel wat zwaarder natuurlijk bemesten, niet te dicht zaaien (om akkeronkruidgroei te bevorderen), wisselteelt met gebruiksplantenakkers, gaas- en netwerk in kiemperiode (tegen konijnen, duiven, eenden).
- Oorsprong & geschiedenis
Onze granen kwamen 8 – 10.000 jaar geleden al voor in Z.W. Azië (Turkije enz.), het Midden Oosten (Mesopotamië, Irak, Iran enz.) en Noord Afrika (Egypte enz.) Vanuit de wilde graansoorten zijn gerst en tarwe door menselijke selectie en cultivering ontstaan. Rogge en haver hebben een andere ontstaansgeschiedenis.
Rondtrekkende stammen leefden van de jacht en de eetbare gewassen uit de natuur (plantendelen, zaden, vruchten); ze aten ook zaden van sommige grassoorten; eerst vooral van spelt en gierst, later tarwe, gerst, rogge en haver. Het cultiveren van deze grassoorten is te zien als een mijlpaal in de geschiedenis van de mensheid: vele, zo niet alle beschavingen zijn gebaseerd op het cultiveren en oogsten van wilde grassoorten, die als zeer belangrijke voedselbron ging dienen met als belangrijk voordeel: je kon het goed bewaren voor schralere tijden!
- Granen en grassenfamilie
Alle granen maken deel uit van de grassenfamilie, waar rijst en maïs ook deel van uitmaken; voor de mens en voor vele diersoorten is de grassenfamilie de belangrijkste en meest onontbeerlijke van alle plantenfamilies.
- Grote delen van het aardoppervlak zijn door grassen bepaald (veelal veroorzaakt door de mens met zijn huisdieren)
- Grasbladeren vormen het hoofdvoedsel voor herkauwers en andere grazers; de oude woordstam ‘gra(s)’ betekent in diverse aten ‘afknagen’; ook voor veel kleine dieren, vooral de insecten, is gras de hoofdvoedselbron.
- De vruchten van bepaalde cultuurgrassen (de granen, rijst, maïs) zijn het hoofdbestanddeel van de voeding van de mens.
- Belangrijke gebruiksgrassen zijn riet, bamboe en helm (dakbedekking, wanden, plafonds, vastleggen van stuifzanden)
Alle grasachtigen bloeien met een aar of een pluim. Bijna alle zijn windbloeiers (stuifmeel wordt door de wind overgebracht)
- Akkers zijn een cultuurlandschap, geen natuurlandschap. Granen zijn cultuurplanten,
gecultiveerde gewassen, die bovendien direct of indirect door de mens zijn verspreid. Granen en akkeronkruiden (cultuurgewassen en hun ‘on’kruid) vormen een kunstmatige plantengemeenschap.
- Zomergranen en wintergranen: spelt (wintergraan), tarwe, rogge, gerst (winter- of
zomergraan) en haver (zomergraan); opbrengst wintergraan in het algemeen eerder en hoger dan zomergraan; wintergranen kunnen als groene spruit de winter overleven; een sneeuwlaagje is welkom; in het voorjaar gezaaid leveren wintergranen geen rijpe graankorrels op in de oogstperiode.
- Karakteristiek voor de populaire, hedendaagse graanrassen is dat ze
- Als monoculturen op grote percelen verbouwd kunnen worden;
- Bestand zijn tegen chemisch gewasbeschermingsmiddelen;
- Gedijen op uitgeputte, met kunstmest verrijkte grond;
- Niet snel platslaan bij regen;
- Machinaal geoogst kunnen worden.
- Granen Rogge, gerst, haver, spelt, tarwe, gierst, eenkoorn, emmer (tweekoorn, emmerkoorn).
- Selecteren van grassoorten (bepaalde planten/zaden verzamelen – dikste aren, grootste korrels, sterkste halmen- en apart zaaien); belangrijk zijn dan:
- Stevige aarspil: van belang was planten te selecteren met een aarspil die niet doorbreekt bij het (machinaal of met zeis) oogsten (aarspil: de as van de aar waar de zaden aan vastzitten; het is een zigzaggende voortzetting van de stengel);
- Lang zaadvasthoudende aar (de rijpe graankorrels mogen niet voor de oogst al uit de aren vallen).
Spelt geen kafnaalden, grove kafvliezen
- Broodmeel, kussenvulling, jenever.
- Spelt (Dinkel, Spelttarwe, Oertarwe) is geen tarwe; tarwe is er ook niet uit ontstaan; spelt
mist alle technische verbeteringen die op tarwe zijn toegepast; verkeert nog in zijn oervorm; kan niet tegen kunstmest; reeën zijn er gek op; daarom planten boeren wel eens spelt aan om de reeën bij de andere gewassen weg te houden (omgeving Ommen); spelt bevat zeer veel gezonde voedingsstoffen, heeft een goede meelkwaliteit, en goede bak- en smaakeigenschappen.
- Veel benut in de biologische landbouw; bevat geen gluten (coeliakie: diarree, vermagering) of andere allergische reacties opwekkende stoffen.
- De speltkorrel is stevig omhuld door vliezen, schubben (het kaf); voordeel:
- ontsmetten van zaaigoed niet nodig (bij tarwe wel nodig met chemische middelen);
- minder vatbaar voor ziekten (geen chemische bestrijdingsmiddelen nodig)
- Spelt is economische niet interessant:
- machinaal niet of moeilijk oogstbaar (de vrij lange, dunne en zwakke stengel slaat snel plat door regen);
- de tijdrovende bewerking (het pellen van de vele vruchtvliezen rond de lange smalle korrel).
Tarwe geen kafnaalden
- Brood, pasta, veevoer.
- Tarwe, gerst, spelt en haver zijn zelfbestuivers, vaak zonder dat de bloemen zich openen.
- Uit een spontane kruising van spelt en eenkoorn zou emmer (emmerkoorn, tweekoorn)
zijn ontstaan. Uit een kruising door de mens van emmer met de tarwesoort triticum squarrosum is de huidige tarwe, triticum aestivum, ontstaan. Deze oude voorvarianten van tarwe bestaan alle nog.
- Onze tarwe onderscheidt zich in twee hoofdsoorten
- Zachte tarwe (diervoeder);
- Harde tarwe (Canada/USA; heeft hogere voedingswaarde: voor pasta, brood)
Gerst zeer lange kafnaalden
- Bier (gekiemde gerst=mout), ‘gerstenat’, veevoer.
- Van gerst zijn ook nog veel oude varianten bekend: tweerijïge gerst, zesrijïge gerst,
pauwegerst (met zijn zeer lange kafnaalden), kwispelgerst en muizegerst (‘kruipertje’: vaak in overgebleven tuinhoekjes, niet eetbaar).
- Groeit tot aan de poolcirkel (heeft korte groeiperiode, kan goed tegen kou) Net als tarwe
hoort gerst thuis op de kleigrond.
Rogge korte kafnaalden
- Belangrijkste broodgraan, roggebrood, knäckebröd, ontbijtkoek, veevoer, vlechtstro,
ligstro, muesli.
- Op schrale grond bijvoorbeeld zandveengronden; tot in Siberië is rogge het belangrijkste
broodgraan.
- Vanaf de 5de tot ver in de 20ste eeuw veel rogge in Twente, naast gerst en haver.
- Rogge is een echte windbestuiver.
- Rogge en haver zijn onbedoeld ingevoerd met tarwe en gerst (dus als graanonkruid); beide
pasten zich goed aan in de meer gematigde streken en zijn tenslotte ook geselecteerd en verder gecultiveerd (dikste aren, grootste korrels, sterkste halmen apart gehouden en apart gezaaid)
- Taaie halmen, daardoor zeer geschikt voor vlechtwerk aan de boerderijen.
Haver pluimige aren
- Havermout (zaden kiemen, drogen en pletten), paardenvoer, haverstro als hooivervanger.
- Ook haver is als ‘meeloper’, als ‘onkruid’ met tarwe en gerst meegekomen.
- Evene is een voorloper van haver.
Oot kwam ook als onkruid mee uit het Midden-Oosten; het lijkt veel op haver, maar heeft geen eetbare zaden; nog veel te vinden langs spoorwegen, havens, overslag- en industrieterreinen (ruderale gebieden).
Dreps is een ander graanonkruid; wordt ook wel halfgraan genoemd (het zou via selectie en cultivering een volwaardig eetbaar graan kunnen worden); tussen het wintergraan was het een lastig graanonkruid, omdat het snel zijn zaden laat vallen en geen kiemrust kent.