Plan van aanpak Tinyforest

Plan van aanpak Tiny Forest Bernheze

 

  1. Opstart team tiny forest: Bij de start wordt een team samengesteld dat,  in aanvang alleen bestaat uit IVN vrijwilligers. IVN Bernheze is de initiatiefnemer. Zodra bekend is welke stakeholders er zijn, wordt aan de stakeholders gevraagd deel te nemen aan het team. Het team zorgt ervoor dat de nodige activiteiten gedaan worden. Meestal zijn dit vrijwilligers uit de buurt en docenten van de betrokken kinderopvang of school. Er kunnen ook teamleden zijn die namens een betrokken bedrijf of organisatie meedoen. Het team bestaat uit maximaal 9 leden.
  2. Bepalen stakeholders. Dit zijn de partijen waar je mee te maken hebt tijdens het proces. Elke betrokken partij heeft zijn eigen wensen. Het is goed om deze wensen serieus te nemen en te kijken of je in elk geval aan de belangrijkste wensen kan voldoen.
  3. Bepalen locatie. Een van de eerste uitdagingen waar je als initiatiefnemer mee aan de slag gaat is het vinden van een mooie plek.  Voor een Tiny Forest heb je een oppervlakte van minimaal 200 – 400 m2 nodig. Voor het buitenleslokaal reken je 50-100 m2. Voor een Tiny Forest met buitenlokaal heb je dus een plek van 250 - 500 m2 nodig. De locatie is ook afhankelijk of de gewenste stakeholders aanwezig zijn en meedoen. Zonder een buurt of vertegenwoordiging van de buurt of geen school wordt de doelstelling van het tiny forest niet bereikt.
  4. Tijdelijk of permanent? Is de beschikbare grond tijdelijk of permanent beschikbaar?
  5. Vergunningen en regels. Zijn er specifieke vergunningen noodzakelijk? Bijvoorbeeld een Klic vergunning, indien er kabels of leidingen lopen over het terrein.
  6. Financiering Tiny Forest. Om een Tiny Forest te realiseren heb je mensen en materialen nodig en vaak professionele hulp voor locatie, ontwerp, aanleg en educatie. Aanlegkosten van een Tiny Forest van 250 – 500 m2 is minimaal 20.000 euro nodig.  Een financieringsplan kan daarbij helpen.
  7. Samenwerken met de buurt en de school. Een Tiny Forest maak je samen met meerdere partijen. De buurt is daarin belangrijk. Zij kijken erop uit, zij maken er gebruik van en de buurtkinderen zijn hoogstwaarschijnlijk de Wilde Wachters.
  8. Gebruik buurtfestiviteiten of buurtorganen. De meeste buurten hebben wel buurtfeesten of buurtclubs. Hier kun je vaak goed terecht om je verhaal te vertellen en vrijwilligers te organiseren.  Soms moet je dit langere tijd volhouden voordat de buurtbewoners echt geloven dat het serieus is. Bovendien kunnen mensen je makkelijker aanspreken met vragen als je ergens zichtbaar met een praatplaat aanwezig bent. Je kunt natuurlijk ook zelf een ‘Tiny Forest’ werksessie organiseren en in de buurt flyers bezorgen om geïnteresseerden te trekken.
  9. Kort-cyclisch . Hoe langer het project duurt, des de groter is de kans dat mensen afhaken of dat nieuwe ontwikkelingen het project in de wielen gaan rijden. Zodra mensen enthousiast zijn, is het handig om snel te starten. Laat dus liever geen maanden voorbijgaan tussen de verschillende stappen. Het mooie van een Tiny Forest is ook dat het klein is en relatief snel te realiseren. Zodra de locatie vastligt en je financiering hebt, kun je het bosje binnen enkele maanden realiseren.
  10. Scholen en Kinderopvang Het Tiny Forest is compleet zodra er een buitenleslokaal is en er een school of kinderopvang het bos adopteert.  Soms is een school of kinderopvang initiatiefnemer, maar meestal ga je zelf op zoek. Maar hoe krijg je dit voor elkaar? De makkelijkste manier om in contact te komen met de kinderopvang of scholen is via ouders uit de buurt.  Als ouders enthousiast zijn over het idee van een Tiny Forest, willen ze gerust bij de juf of meester te vragen of er interesse is. Je hebt dan een ‘warm contact’ en kan vervolgens met de school of kinderopvang in gesprek over de  manier waarop zij betrokken zijn.
  11. Wilde Wachters. De kinderen die meehelpen met het planten van het bos en het beheer worden ‘Wilde Wachter’. Een Wilde Wachter is boswachter van het Tiny Forest. Kinderen zijn in groepjes om de beurt een maand boswachter. Ze krijgen bijvoorbeeld opdracht mee om onkruid te wieden, water te geven of boompjes recht te zetten. Ze kunnen ook een rondleiding geven aan ouders en buurtbewoners. Door deze manier van werken blijven kinderen actief betrokken en is het ook echt hun bos.   
  12. Het IVN-buitenlokaal.  Scholen en kinderopvang krijgen er een extra lokaal bij! Een buitenlokaal zorgt ervoor dat kinderen vaker buiten les krijgen. Geen les meer op een smartbord, maar in een smartbos. IVN ontwikkelde een Tiny Forest lespakket voor groep 5 en 6. Met dit lespakket kunnen leerlingen elk seizoen een aantal opdrachten doen in hun eigen bos en werken ze gelijk aan de kerndoelen van natuuronderwijs.
  13. Communicatie . De komst van een Tiny Forest is een uniek moment voor een buurt, wijk of stad. Laat iedereen daarom horen dat er een Tiny Forest komt. Dat kan op verschillende manieren. Schrijf geen uitgebreid communicatieplan, maar denk goed na over hoe je gemeente, scholen, media en mensen uit de buurt kan informeren en betrekken. IVN maakte een aantal handige hulpmiddelen hiervoor.
  14. Ontwerp . Als het goed is heb je een leuke plek gevonden, financiering gevonden en is je team compleet. Nu is het tijd om na te gaan denken over het ontwerp van je bos.  Je gaat alle behoeften proberen te verwerken in een mooi ontwerp.
  15. Aanleg.  Onze bosbouw-methode: luilekkerland voor bomen. IVN maakt gebruik van de Miyawaki-methode. Het doel van deze methode is een zo natuurlijk mogelijk situatie te creëren voor jonge boompjes. We gaan de ideale bosbodem creëren voor ons Tiny Forest. Maar wat is een ideale bosbodem?
  16. Beplantingsplan maken. In een Tiny Forest staat alleen inheemse boomsoorten, we planten die soorten die zich zonder menselijk ingrijpen over 100 jaar toch al aanwezig zouden zijn. We helpen de natuur dus een handje.
  17. Onderhoud en monitoren groei.  Na het planten breekt een belangrijke periode aan.  Het bos moet twee jaar lang worden onderhouden en beheerd, tot het zelfvoorzienend is. Het devies bij Tiny Forest is: zo weinig mogelijk doen om het bos goed te laten ontwikkelen. Toch is er wel beheer nodig.