Geheime prenten in het zand
Speuren in het Kootwijkerzand: over mierenbanen, spechtensmidsen en een bijzondere schedel
Op zaterdag 29 augustus scheen de zon volop boven het Kootwijkerzand. Een perfecte dag voor de diersporenexcursie. Samen met gidsen Rolinda en Sylvia gingen we op pad: negen enthousiaste deelnemers (waaronder twee kinderen) én hond Teddy. Al snel bleek dat je geen grote dieren hoeft te zien om te weten dat ze er zijn. Het zand ligt vol verhalen.
Prenten in het zand
Gids Rolinda spotte al gauw de eerste afdrukken van een jong hert, compleet met de kleine bijhoefjes aan de achterkant, iets wat je niet vaak ziet. Even verderop kruiste een vossenprent het pad. Later vonden we ook zijn achtergelaten drol, die vol bleek te zitten met de glanzende schilden van mestkevers.
Ook de wilde zwijnen hadden hun sporen achtergelaten. Hun prenten waren prachtig zichtbaar. Rolinda legde ons meteen het verschil uit met de prenten van hertachtigen: bij een wild zwijn staan de bijhoeven altijd duidelijk schuin naar de zijkant afgedrukt, breder dan de hoofdhoeven. Bij herten zie je deze achterste hoefjes meestal niet.
Poep als kraamkamer
Natuurlijk stonden we ook even stil bij een hoop paardenpoep. Dat klinkt misschien niet direct aantrekkelijk, maar het zag er verrassend schattig uit met kleine grijze paddenstoeltjes en een paar sprietjes gras die er dapper op groeiden. Sylvia legde uit dat mestkevers dolblij zijn met deze vlaaien; ze rollen de mest mee hun nest in als voedsel en kraamkamer voor hun eitjes. De mestkever liet zichzelf ook even zien. Het exemplaar ging in een loeppotje en werd door de deelnemers, vooral de twee kinderen, bewonderd.
Zelf aan de slag met prikkers
Midden op het Kootwijkerzand mochten de deelnemers zelf speuren naar sporen. Gewapend met houten gekleurde prikkers markeerde iedereen de sporen die ze zagen. Het resultaat was een bonte verzameling: hazenkeutels, vossenkeutels, paardenmest en hertenprenten.
Maar de absolute hoofdprijs was een mogelijk wolvenspoor. Rolinda liet zien dat wolven en vossen vaak in een perfect rechte lijn lopen. Om het verschil te testen, lieten we hond Teddy een stukje rennen. Zijn spoor liep – zoals verwacht – een stuk minder recht. Bovendien is de pootomtrek van een hond vaak veel ronder, terwijl die van een wolf of vos meestal een druppelvorm heeft. Maar op basis van alleen dit spoor kan nooit met 100% zekerheid gezegd worden dat het van een wolf is geweest. En die hazenkeutels? Rolinda wist het zeker: op het Kootwijkerzand leven nauwelijks tot geen wilde konijnen meer, dus moeten ze wel van een haas zijn. Behalve dat pasten ook de vorm en grootte bij hazenkeutels.
Fladderende en springende bewoners
Dankzij het mooie weer bleef het niet alleen bij pootafdrukken en keutels; de levende bewoners lieten zich vandaag ook uitstekend zien. Zo sprong de blauwvleugelsprinkhaan voor onze voeten op, waarbij zijn prachtige, felblauwe achtervleugels kortstondig oplichtten in de zon. Ook de vlinders waren volop van de partij. We genoten van de perfect gecamoufleerde heivlinder en de kleurrijke atalanta die zich in het zand liet opwarmen.
Minuscule gaatjes en een slimme specht
Niet alle sporen zijn groot. Bij een zomereik liet Sylvia ons een eikel met een perfect rond gaatje zien. Dit bleek het werk van de larve van de eikelboorder, een snuitkever met een absurd lange snuit.
Ook inspecteerden we een dode grove den. Hier vonden we een ‘poppenwieg’ van de grijze ribbelboktor: een zorgvuldig met knaagsel afgesloten kamer diep in het hout waar de larve veilig kan verpoppen. Verderop in een andere boom ontdekten we een spechtensmidse, een handige spleet waarin de specht dennenappels klemzet om ze te kraken. Tijdens de excursie vertelde Sylvia een fascinerend verhaal over de specht: zijn extreem lange tong zou als een elastische veiligheidsgordel om zijn schedel lopen om de klappen van het roffelen op te vangen. Dat verhaal heeft een kern van waarheid, want de tong loopt inderdaad helemaal rondom zijn kop, maar wetenschappelijk blijkt het toch net even anders te zitten.
Die lange tong dient namelijk puur om insecten uit boomholtes te vissen. Uit onderzoek uit 2022 blijkt dat de kop van de specht helemaal geen schokdemper heeft, maar juist als een stijve hamer werkt om krachtig te kunnen hakken. Hij krijgt toch geen hoofdpijn doordat zijn hersenen heel klein zijn, strak ingesloten zitten in de schedel en de klap simpelweg te kort duurt om schade aan te richten.
Nog een spechtenweetje: Een specht roffelt gemiddeld 10 tot 20 keer per seconde tegen een boom.
De mieren-snelweg
Op de terugweg deelde deelneemster en tevens natuurgids Grietje nog een mooie ontdekking bij een zomereik: een spoor van de glanzende houtmier. De mieren liepen strak in twee aparte rijen – eentje heen, eentje terug – om opstoppingen te voorkomen. Ze waren op weg naar de bladluizen boven in de boom om suikerrijke honingdauw te melken, wat ze in hun achterlijf mee terugnamen naar het nest.
Helaas kwam er een einde aan deze leerzame ochtend. De gidsen bedankten de groep voor hun scherpe blik en enthousiasme. Iedereen ging naar huis met een handige diersporenzoekkaart op zak. Al met al een geslaagde ochtend waardoor we de natuur voortaan toch met heel andere ogen bekijken.
Tenslotte
Wie stilstaat bij een prent of drol,
ziet dat het zand zit boordevol.
Een gat, een gang, een mierenbaan,
verhalen die in het Kootwijkerzand staan.
Het zand vertelt wat niemand ziet,
wie sporen leest, verveelt zich niet!
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |



