2017 10 Geur, Aleid Offerhaus

Je hoeft niet eens te kunnen zien om te weten dat dat deel van de aarde waar wij op wonen zich langzaam van de zon afwendt.

Er is iets dat zich op een andere manier aan ons opdringt: opeens ruik je schimmel!

Niets heerlijkers – naast gebakken brood en gemaaid gras - dan de geur van een herfstig bos. Onze neus vertelt ons dat het herfst is. Wat je ziet, hoort en voelt wordt door je brein vertaald, maar wat je ruikt blijft gewoon wat je ruikt. Ons reukvermogen (en een deel van je smaak) verschilt niet veel van de andere zintuigen, maar de route van de haartjes in je neus naar je brein is net iets korter en de informatie komt op dezelfde plek terecht als je herinneringen en je emoties. En zo kan het dat het eten van een koekje - in de woorden van Marcel Proust – ‘de wisselvalligheden, de rampen en de kortheid van het leven op slag onverschillig, ongevaarlijk en illusoir maakt.’

Helaas gaan we al decennia lang gebukt onder de gedachte dat we als menselijke soort op het olfactorische vlak enigszins beperkt zijn. ‘Bello’ doet het in dat opzicht veel beter.

Deze opvatting komt van Paul Broca, pionier in hersenonderzoek en een erudiete, zachtaardige fransman, die geheel naar de mode van zijn tijd (eind 19de eeuw) ervan overtuigd was dat naarmate iets groter was, het ook beter functioneerde. De plek van het geurcentrum in onze hersenen is in vergelijking met andere delen inderdaad niet erg groot, maar ‘ big’ – weten we nu - is niet altijd ‘ better’.

John McCann, een psycholoog uit New Jersey, heeft met een artikel in Science een streep door de rekening van Broca gezet. Mensen hebben niet meer of minder reukcellen dan de meeste zoogdieren en kunnen dus niet beter, maar ook niet slechter ruiken. Het lijkt meer een kwestie van prioriteiten. Zo kunnen sommige mensen honderden wijnen uit elkaar houden en is het voor honden van belang te weten hoe de geurvlag van andere honden is samengesteld. Ieder zijn heug.

Laten we even terug gaan naar de schimmel: 80% van de landplanten leeft genoegelijk samen met een schimmel. Toen zich land op de aarde vormde, konden planten (toen nog eencellige algen) alleen samen met een schimmel het droge op. De plant/alg had drinken nodig, de schimmel eten. Aarde om in te wortelen was er nog niet. De schimmel zorgde er met zijn draden voor dat uit de rotsachtige bodem toch nog water kon worden getapt, de alg zorgde voor de fotosynthese en het eten: hun eeuwigdurende samenwerking was geboren. Evolutie van het leven op aarde is dus begonnen met samenwerking, niet met een niets ontziende drang om overal de eerste en de beste te zijn.

De meeste schimmels zien we niet: die zitten verstrengeld met de wortel van de plant waar ze bij horen, maar er zijn schimmels waarvan in ieder geval de voortplantingsorganen zichtbaar zijn: onze paddenstoelen.

Ectomycchoriza als de Berkenridderzwam zijn van levensbelang voor bomen. Rond de wortels van de boom waar ze bij horen vormen ze een netwerk van schimmeldraden. De boom krijgt mineralen en de paddenstoel suiker. Al die paddenstoelen geven nu een waaier aan geuren af. De wisselvalligheden van het leven vallen in een herfstig bos weer op hun plek.

Aleid Offerhaus
Natuurgids IVN Amstelveen

Het is verboden deze column te dupliceren of te gebruiken zonder uitdrukkelijke toestemming van de schrijver/fotograaf/tekena(a)res.