2015 05 Vijftig tinten geel, Aleid Offerhaus

Als je naar een Madeliefje kijkt is geslachtelijke voortplanting nu niet het eerste wat bij je opkomt, maar eigenlijk is een bloem niet veel anders dan seks op steeltjes. Voor de romantisch angehauchten onder ons misschien even slikken (een bosje rozen krijgt zo toch een hele andere lading), maar vooruit, laten we wel wezen: het is wel seks in een heel mooi en vaak ook nog lekker ruikend jasje.

Afgelopen weken  ontplofte de natuur: wilde Hyacinthen, Sleedoorn, Meidoorn, Kersenbomen en bermen, die overstroomden met Koolzaad en Fluitekruid. Alles stond in bloei.

Zo'n kleine 200 miljoen jaar geleden stonden de zaken er anders voor. Er was op onze groene en vochtige wereld geen bloem te bekennen. Wind en water zorgden voor de verspreiding van plantensporen en zaadvorming vond alleen plaats waar het vochtig was. Het resultaat was een aarde bezaaid met varens en paardestaarten. Vijftig tinten groen: prachtig, maar weinig opwindend.        

In die periode begonnen de huidige continenten gestalte te krijgen. Door het uit elkaar drijven van Pangea ontstonden afzonderlijke stukken land, met verschillende klimaattypes. De vulkanische activiteit, die samenging met het verschuiven van de continenten, maakte dat het op aarde heel erg veel warmer werd. Voor die planten, die voor het transport en de bevruchting van hun kwetsbare sporen afhankelijk waren van water, brak een moeilijke tijd aan.

En dan gebeurt er iets opmerkelijks: er ontstaan gaandeweg planten, die hun stuifmeel, zaadbeginsel en zaad zo beschermen dat de invloed van buitenaf kleiner en de kans dat de plant overleeft groter wordt. Het zijn planten die zich snel kunnen aanpassen aan hun omgeving.

Dinosauriërs, die de bestaande vegetatie opvreten, maken de weg vrij voor deze pioniers. Insecten doen de rest. De kleurige bloemblaadjes beschermen de planten niet alleen, maar trekken ook de aandacht van het vliegende volkje. Naast kevers en vliegen doen nu ook wespen, bijen en vlinders hun intrede.

Het mes snijdt aan twee kanten: het insect doet zich tegoed aan het eiwitrijke stuifmeel en de zoete nectar, de plant gebruikt het insect om haar zaadbeginsel te bevruchten. Beiden evolueren samen en ze evolueren snel: de insectenpopulatie groeit en door kruisbestuiving dijt het plantenbestand ook snel uit.

In het Europa van de achttiende eeuw werd het idee dat planten seksueel actief waren tot Linnaeus maar mondjesmaat en sub rosa beleden. Linnaeus echter baseerde zijn taxonomische systeem – dat we nu nog steeds gebruiken – op seksuele kenmerken. De beschrijving van planten met meer (mannelijke) meeldraden dan (vrouwelijke) stampers viel niet in goede aarde. De Lelie, voorheen een bloem die de maagdelijke zuiverheid symboliseerde, werd zo een amoreel monster.  De strijd met zijn felste tegenstander – Johann Georg Siegesbeck – werd op alle fronten gestreden. Linnaeus vernoemde een volstrekt onooglijk plantje – de Siegesbeckia orientalis – naar de goede man (die het hem niet in dank afnam) en de rest is geschiedenis.

Minder subtiel dan het Madeliefje en toch meesters in verleiding zijn twee orchideeën die in de buurt van Amstelveen groeien: de Rietorchis en de wat zeldzamere Bijenorchis. Iedere bloem leent zich, goed beschouwd, voor studie: gewoon een loepje, wat tijd en de wonderlijke wereld van plantenseks ligt aan je voeten.

Wie ogen heeft om te zien......

Aleid Offerhaus
Natuurgids IVN Amstelveen

Het is verboden deze column te dupliceren of te gebruiken zonder uitdrukkelijke toestemming van de schrijver/fotograaf/tekena(a)res.