2015 03 Planten in de politiek, Aleid Offerhaus

In het Thijssepark resideert een bevallig Bostulpje dat als enige Tulp aanspraak kan maken op het predikaat 'inheems', maar haar exclusiviteit staat in geen verhouding tot de enorme populariteit van de Tulpen die vanaf de zestiende eeuw West-Europa binnenstroomden.

Vandaag de dag is het moeilijk om zonder papieren vanuit Turkije Europa binnen te komen, maar om in 1554 van Europa naar het Ottomaanse rijk te reizen was mét papieren ook geen sinecure. 25 jaar daarvoor hadden de Ottomanen nog voor Wenen gelegen en over de grens met het Heilige Roomse rijk was op dat moment nog geen overeenkomst bereikt.

Tegen deze achtergrond kreeg Augier de Busbecq de opdracht om te onderhandelen met Suleyman de Grote, Sultan van het Ottomaanse rijk.

De Busbecq was naast diplomaat met een liefde voor planten ook een scherp observator. Met een bijna moderne blik legde hij zijn reis van Wenen naar Constantinopel vast. Voorbij Edirne merkt hij het volgende op: “Onderweg zagen we een uitbundige hoeveelheid Narcissen, Hyacinthen en (zoals de Turken ze noemen) Tulpen. Het maakte op ons grote indruk dat de grond in het hart van de winter bezaaid was met deze bloemen, die elders niet gevonden worden.”  en “De Turken zijn dol op bloemen, zo dol dat ze – zuinig als ze in andere opzichten zijn - voor een beetje bloem graag een paar zilverlingen neertellen”

Het aanleggen van een tuin stond gelijk aan het herscheppen van het paradijs op aarde en de Ottomanen verstonden die kunst als geen ander.

Paradijselijk zal de keizerlijke tuin in Wenen zonder twijfel ook zijn geweest, maar daarnaast was hij het visitekaartje van het hof. Door zijn grote en uitgebreide collectie was het een teken van keizerlijke macht. Dat de nieuwe hoftuin gebouwd zou worden op de plek waar de Sultan tevergeefs Wenen had belegerd was niet helemaal toevallig.

Aan het hoofd van die tuin stond Charles de l'Écluse. Hij zou de geschiedenis ingaan als de grote plantkundige Carolus Clusius en eindigen als eerste directeur van de botanische tuin in Leiden.

De Busbecq stuurde in de jaren dat hij aan het hof van de Sultan verbleef (het duurde even voordat hij zijn missie kon afronden) heel wat planten, afkomstig uit de paleistuinen van de Sultan, naar Wenen. Clusius droeg  eraan bij – door de zorgvuldigheid waarmee hij naar de planten keek en de manier waarop hij ze beschreef – dat binnen korte tijd flink wat Europeanen konden bogen op het bezit van een Tulp.

De naam van het voormalige Tulp-ziekenhuis in Amstelveen is een echo van het enthousiasme waarmee de Europeanen de Tulp onthaalden. De burgemeester van Amsterdam – waar het ziekenhuis naar werd vernoemd – eigende zich op het hoogtepunt van de tulpenrage de naam (Nicolaas) Tulp toe, heel wat sjieker dan het eenvoudige Claes Pieterszoon, waarmee hij op de wereld was gekomen.

Niemand verbaast zich nu nog over de aanwezigheid van Tulpen, Narcissen, Hyacinten, Leliën en Kievitsbloemen, maar in de zestiende eeuw kwamen ze in West-Europa niet voor (op het Bostulpje na dan!).

Het is te danken aan de nieuwsgierigheid en doorzettingsvermogen van mensen als Augier de Busbecq en Charles de l'Écluse dat wij nu kunnen genieten van de vele voorjaarsbloeiers waar Amstelveen zo rijkelijk mee bedeeld is.

...en het eenvoudige Bostulpje, ach, dat blijft mooi.

Aleid Offerhaus
natuurgids IVN Amstelveen

Het is verboden deze column te dupliceren of te gebruiken zonder uitdrukkelijke toestemming van de schrijver/fotograaf/tekena(a)res.