Zuid-Holland
Biodiversiteit
donderdag28nov2019

Monitoren van biodiversiteit met citizen science

Sinds februari 2019 monitoren speciaal getrainde IVN-vrijwilligers, ofwel citizen scientists, zeven Tiny Forests in Nederland. In samenwerking met Wageningen Environmental Research (WENR) onderzoeken zij de biodiversiteit in Tiny Forests in Almere, Delft, Ede, Utrecht en Zaanstad. Wij spraken met Essi Laine, één van de vrijwilligers, over het onderzoek.

Ha Essi, je bent dus citizen scientist! Kun je iets over jezelf vertellen?

“Nou, mijn naam is dus Essi en ik werk ongeveer vier jaar bij Hoek Hoveniers, één van de partners van IVN bij het aanplanten van Tiny Forests. Ik ben zelf hovenier geweest en werk inmiddels op kantoor. Daar maak ik voornamelijk calculaties en beplantingsplannen. De praktische kennis van het buiten werken neem ik daar natuurlijk mooi in mee. Naast mijn werk houd ik van buiten wandelen en sinds een jaar ben ik ook aan het schermen. Het vrijwilligerswerk zit er overigens goed in: één keer per maand onderhoud ik ook een landgoed in Voorschoten. Toen ik zag dat er onderzoeksvrijwilligers werden gezocht voor het monitoren van het Tiny Forest was ik direct enthousiast. Vanuit mijn werk weet ik veel over planten en bomen, maar niet zoveel van bijvoorbeeld insecten. Een mooie gelegenheid om meer te leren!”

Dus je doet onderzoek naar de biodiversiteit in het Tiny Forest in Delft, wat houd dat precies in?

“Eigenlijk is het heel simpel. Ik ga één keer per maand naar het Tiny Forest en kijk welke wilde soorten ik aantref, naast de bomen die geplant zijn. Welke vogels, planten maar vooral insecten zijn er aanwezig? Om het makkelijker te maken om insecten te tellen zijn er tapijttegels in het bos gelegd. Daaronder gaan ze schuilen. Als je zo’n tapijttegel optilt heb je een grote kans dat je bodemdiertjes aantreft. Zomers zie je insecten overigens bijna overal!

“Tijdens het bezoek is het een kwestie van tellen en opschrijven wat ik zie. Soms maak ik foto’s, bijvoorbeeld wanneer ik iets moois zie of als ik iets niet direct herken. Dan neem ik de foto mee naar huis en probeer er dan achter te komen wat het is.” 

Je hoeft dus niet per se een specialist zijn?

“Nee, zeker niet. Ik ben niet zo gedreven dat ik alles op soort breng, dat is vaak lastig. Bij de instructie van het onderzoek is bovendien aangegeven dat het determineren tot een soortgroep goed genoeg is, de exacte soort is niet per se nodig. Een pissebed als pissebed herkennen is genoeg. Natuurlijk is het mooi is als je alles tot precieze soort kan noemen, maar dat is dus niet nodig.

“Eigenlijk heb je dus niet veel kennis nodig, maar je merkt wel dat je kennis snel kunt opbouwen. Ik ben in het bos zelf niet lang bezig, maar thuis neem ik vaak nog wat extra tijd om aan de hand van foto’s toch tot soort te komen. Zo breid ik mijn kennis flink uit!”

Biodiversiteit is groot in Tiny Forest

Vind je ook wel eens iets speciaals of opvallends?

“Eén keer vond ik een zaailing van een moerbei, dat vond ik heel grappig. De moerbei is een exoot en maakt vruchtjes. Waarschijnlijk is ‘ie door vogels meegekomen en in het Tiny Forest terecht gekomen. Dat is wel heel bijzonder! Ook heb ik één keer een heel mooie wants gezien, een koolwants bleek later. Dat is een heel klein, groen beestje met gouden vlekjes, super mooi! Normaal zou ik dat nooit hebben gezien, maar nu door het monitoringsonderzoek wel.”

Hoe combineer je het vrijwilligerswerk eigenlijk met je drukke baan?

“Lastig, haha! Ik werk doordeweeks gewoon, dus dan kan ik niet. Heel soms kan ik langs gaan als ik voor werk in de buurt ben. Verder ben ik echter op het weekend aangewezen. Ik probeer één keer per maand naar het Tiny Forest te gaan om alle tapijttegels langs te lopen. Laatst sprak ik andere vrijwilligers die erg gedreven zijn en vaker langs gaan. Het mag voor het onderzoek dus vaker, maar dat is mij tot nu toe niet gelukt.”

Binnenkort start er weer een groep nieuwe onderzoeksvrijwilligers. Wat zou je willen zeggen tegen anderen die nog twijfelen om mee te doen?

“Nou, ik zou zeggen: wees niet bang dat je te weinig kennis hebt. Wel is het handig om een eerste keer naar het bos te gaan met iemand die meer kennis heeft. Of ga een keer met een IVN wandeling over insecten en planten mee, en begin daarna met monitoren. Dan leer je alvast wat bewuster te kijken en dan weet je waar je op moet letten. Of vraag aan bestaande vrijwilligers of ze je mee willen nemen. Na één of twee keer kan je echt zelf wel aan de slag.”