Stadsnatuur

Als je het hebt over natuur in het algemeen zijn er een aantal termen die je vaker tegen zal komen. In relatie tot stadsnatuur zijn biodiversiteit, ecosystemen en klimaatadaptatie veel gehoorde begrippen. Hieronder leggen we ze uit.

Biodiversiteit

Stel je voor dat er alleen maar muggen zouden leven? Of overal alleen maar brandnetels zouden staan? Gelukkig zijn er vogels en vleermuizen die muggen eten en zorgen brandnetels voor meststoffen waardoor andere planten goed kunnen groeien. Want zeg nou zelf, natuur met maar één soort boom, vogel en vlinder? Dat zou heel saai zijn!

Biodiversiteit betekent verschillende soorten. Hoe meer verschillende soorten planten en dieren er in een gebied leven, hoe groter de biodiversiteit. Verschillende soorten in een gebied zijn belangrijk, omdat ze elkaar in evenwicht houden. De ene dier- of plantensoort is weer voedsel voor een andere soort.

Hoeveel verschillende dieren er in een gebied leven is afhankelijk van veel verschillende factoren. Als er in één gebied veel variatie is, is de kans groter dat de biodiversiteit hoger is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het verschil tussen platteland en stad. Op het platteland heb je vlakke akkers waar vaak maar één soort gewas wordt verbouwd. In de stad is er hoog- en laagbouw, zijn er zon- en schaduwplekken en is er temperatuurverschil tussen stenige plekken en parken. Hoe steniger de plek hoe warmer. De stad is daarom vaak diverser dan het platteland.

Ecosysteem

Een ecosysteem is een geheel van planten en dieren die van elkaar afhankelijk zijn om te overleven. In een bos staan bomen, die halen water en voedingsstoffen uit de bodem. Daarmee kunnen de blaadjes aan de boom groeien. Kleine rupsen eten de blaadjes en de vogels eten de rupsen. Kortom, ze hebben elkaar allemaal nodig om te kunnen leven. Het is eten en gegeten worden.

In elk gebied komen bepaalde soorten planten en dieren voor en zal je er andere soorten nooit aantreffen. Dat komt op de eerste plaats doordat elke omgeving anders is. Het weer en het type bodem verschilt bijvoorbeeld. In een duingebied heb je losliggend zand, terwijl er langs de rivier bijvoorbeeld veel klei in de bodem zit. Planten en dieren hebben een voorkeur voor zo’n type ondergrond, of voor een bepaalde type weer en vestigen zich er daarom wel of niet. In de woestijn vind je bijvoorbeeld hele andere dieren dan in de jungle of in de Nederlandse bossen. De planten en dieren die zich wel in een gebied vestigen, vormen een eenheid die van elkaar afhankelijk is. Elke eenheid vormt een apart ecosysteem.

Ook in de stad zijn er bepaalde dieren en planten die zich hier graag thuis voelen en anderen die liever wegblijven. In de stad heb je dus ook een ecosysteem.
 

Klimaatadaptatie 

Klimaatadaptatie betekent letterlijk aanpassing aan het klimaat. Dit is hard nodig, de gevolgen van de verandering van het klimaat zijn namelijk al te merken. In de zomer is het droger, in de winter natter en de regenbuien zijn een stuk heviger. Dit zijn gevolgen die kunnen leiden tot hevige overstromingen, uitdroging en uitsterven van bepaalde dier- en plantensoorten.

Om deze gevolgen te minimaliseren, zijn er een aantal dingen die je zelf kunt doen om ervoor te zorgen dat we ons kunnen aanpassen aan het veranderde klimaat. Minder tegels op het schoolplein zorgt ervoor dat ­water beter wegloopt en groen, zoals gras of bloembedden, biedt verkoeling op warme dagen.