steenuil Vogels

Werkgroep Steenuilen brengt verslag uit

Raalte 17 september 2026

Het broedseizoen van de steenuil begint eigenlijk al in februari, wanneer de uilen steeds actiever worden in het verdedigen van hun territorium. De kenmerkende roep van de steenuil is dan veelvuldig te horen in de gemeente Raalte. Zo eind maart begint het roepen af te nemen; de territoria zijn dan goed afgebakend en de volgende fase begint. Al rond 24 maart werd in Mariënheem het eerste ei van het jaar gelegd. Eind april zaten vrijwel alle vrouwtjes op eieren en volgde de eerste van in totaal 181 nestkastbezoeken door onze werkgroep. De laatste jongen vlogen begin juli uit. In het najaar, wanneer de jonge uilen door hun ouders uit het territorium worden verdreven, zijn alle gegevens van het broedseizoen door de Werkgroep Steenuilen verwerkt en kan dit jaarverslag geschreven worden.

Een jonge steenuil krijgt een ring

De resultaten

Voor de steenuil was het vorige broedseizoen, 2024, een matig jaar met een duidelijke achteruitgang, waarbij het aantal bezette nestkasten van 55 terugliep naar 50. Gelukkig bleek dit een tijdelijke dip, want in 2025 steeg het aantal bezette nestkasten weer tot maar liefst 57! Hoewel dit deels komt omdat we op een paar nieuwe locaties nestkasten hebben gecontroleerd, is het duidelijk dat de steenuil zich snel heeft hersteld van de terugval in 2024.

Ook dit jaar hebben bijna alle jonge steenuilen een ring van het Vogeltrekstation om de poot gekregen met een uniek nummer waarmee we ze hopelijk de komende jaren kunnen volgen. In totaal werden er 152 jonge steenuilen geringd. Ook vijf ongeringde vrouwtjes konden geringd worden.

Het viel ons de afgelopen jaren op dat er meer verlies was dan vroeger. Sinds 2021 leverde maar zo’n kwart van de legsels voor ieder gelegd ei een uitgevlogen jong op. Zo’n 30% van de legsels mislukte helemaal en bij de rest vlogen er wel jongen uit, maar minder dan het aantal gelegde eieren. In 2025 was dit gelukkig weer een stuk beter en bij ruim de helft van de legsels vlogen er net zoveel jongen uit als er eieren waren gelegd. Ook het aantal volledig mislukte nesten nam af, maar is nog steeds ruim 20%.

We schatten dat er in totaal zo’n 144 jonge steenuilen zijn uitgevlogen.

Voor de steenuil was het vorige broedseizoen, 2024, een matig jaar met een duidelijke achteruitgang, waarbij het aantal bezetten nestkasten van 55 terugliep naar 50. Gelukkig bleek dit een tijdelijke dip, want in 2025 steeg het aantal bezette nestkasten weer tot maar liefst 57! Hoewel dit deels komt omdat we op een paar nieuwe locaties nestkasten hebben gecontroleerd, is het duidelijk dat de steenuil zich snel heeft hersteld van de terugval in 2024.

 

Aanwas

In 2025 troffen we in de nestkasten zeven volwassen steenuilen aan die het vorige jaar als jonge vogel waren geringd. Op een totaal van 29 uilen waarvan we de leeftijd exact weten is dat aan de lage kant. Ook het aantal van vijf volwassen steenuilen die we dit jaar konden ringen, is opvallend laag. Dit zijn vaak vogels die het vorige jaar geboren zijn buiten een door ons gecontroleerde nestkast. Er was dus weinig aanwas, wat ook te verwachten was omdat er in 2024 maar weinig jongen uitgevlogen zijn. Een slecht broedseizoen is dus terug te zien in de populatieopbouw van het jaar erop. Door ons jarenlange onderzoek kunnen we goed zien dat er inderdaad een sterk verband is tussen het aantal vrouwtjes van één jaar oud en het broedsucces van vorig jaar (figuur 2).

Figuur 2: Hoe meer jongen er vorig jaar uitgevlogen zijn, hoe groter het aandeel van eenjarige vogels in de broedpopulatie. 2025 in het oranje.

Des te opvallender is daarom dat het aantal legsels in 2025 juist flink gestegen is. Slechts een deel van deze groei is te verklaren doordat we meer locaties met nestkasten hebben gecontroleerd. Mogelijk dat sommige paartjes in 2024 nog wel aanwezig waren in hun territorium, maar niet gebroed hebben en 2025 wel weer een legsel hadden. Een broedseizoen overslaan komt bij steenuilen niet vaak voor. Bij slechte omstandigheden leggen ze meestal minder eieren, maar helemaal niet broeden is uitzonderlijk.

Een andere mogelijke oorzaak van de groei in het aantal bezette nestkasten komt van de zogenaamde floaters; vogels die geen geschikt territorium of partner konden vinden en pas voor het eerst zijn gaan broeden toen ze al twee jaar of nog ouder waren. Door het uitvallen van paartjes of alleen het mannetje of vrouwtje kwam er voor hen een plekje vrij. Dit beeld wordt ondersteund door het aantal broedende vogels waarvan we dankzij de ring weten dat ze twee jaar oud zijn: tien in totaal, zelfs één meer dan het aantal éénjarige broedvogels uit 2024, terwijl door natuurlijke sterfte verwacht mag worden dat deze groep kleiner wordt in plaats van groter.

Vroege, kleine legsels

De gemiddelde legselgrootte kwam dit jaar uit op 3,65 eieren, duidelijk lager dan in voorgaande seizoenen. Dat is goed terug te zien in de grafiek met de verdeling van de legselgroottes hiernaast: Er zijn veel meer legsels met drie eieren dan in andere jaren, terwijl maar drie vrouwtjes het aandurfden om vijf eieren te leggen. Legsels met nog meer eieren ontbraken helemaal.

Figuur 3: Kleine legsels in 2025.

De eileg kwam vroeg op gang: de mediaan (als de helft van de legsels gestart is) lag al op 7 april, terwijl dat normaal rond 16 april ligt. Alleen in het uitzonderlijk goede jaar 2014 werd een vergelijkbaar vroege start gezien.

De datum waarop de steenuilen beginnen met eieren leggen, wordt vooral bepaald door het voedselaanbod en in mindere mate door de temperatuur in het vroege voorjaar. Hoe meer voedsel er beschikbaar is, hoe beter de conditie van de vrouwtjes en hoe eerder ze beginnen. De voedselbeschikbaarheid heeft ook een groot effect op de hoeveelheid eieren die gelegd wordt. Hoe meer voedsel, hoe meer jongen er gevoed kunnen worden en hoe meer eieren er gelegd worden. Er is dan ook een duidelijk verband tussen de datum waarop het eerste ei gelegd wordt en de legselgrootte, zoals mooi te zien in figuur 4. Het seizoen 2025 (oranje in de figuur) pas echter helemaal niet in dit patroon!

Figuur 4: Het gemiddelde aantal eieren per legsel, uitgezet tegen de dag in april waarop bij exact de helft van de legsels het eerste ei al in het nest ligt. Er is een duidelijk verband zichtbaar, maar 2025 (in het oranje) is een uitzondering.

Zware jongen

De beschikbaarheid van voldoende voedsel is belangrijk voor de opgroeiende jongen. Tijdens het ringen van de jonge steenuilen meten we de vleugellengte en het gewicht van de vogel. Met de vleugellengte kan de leeftijd van het jong bepaald worden. Bij de leeftijd hoort een verwacht gewicht, dat we aflezen uit een tabel die landelijk gebruikt wordt. De conditie van het jong is de verhouding tussen het gemeten gewicht en dit verwachte gewicht. Bijvoorbeeld: een jong met een vleugellengte van 96 mm heeft een verwacht gewicht van 100 gram. Als de weegschaal echter 110 gram aangeeft, dan is de conditie-index 110%.

Uit onze gegevens van de afgelopen 25 jaar, blijkt dat de steenuilen in de gemeente Raalte gemiddeld een conditie hebben van 104%. ‘Onze’ steenuilen zijn gemiddeld dus wat zwaarder dan verwacht. Uit landelijk onderzoek waarvoor ook onze gegevens zijn gebruikt, blijkt een relatie met de ondergrond: Op zandgrond zijn jonge steenuilen gemiddeld wat zwaarder dan op kleigrond, waarschijnlijk door een verschil in de beschikbaarheid van voedsel zoals muizen.

‘Onze’ steenuilen zijn gemiddeld wat zwaarder dan het landelijk gemiddelde

In 2025 waren de jongen gemiddeld nog een stuk zwaarder dan normaal; de gemiddelde conditie-index is ruim 108%! Figuur 5 hieronder laat zien dat het hele plaatje verschoven is naar rechts, een goede aanwijzing dat de gewichtstoename goed verdeeld was over de hele gemeente. Dat er door de kleine legsels wat minder snavels te voeden waren zal hier ongetwijfeld aan bijgedragen hebben.

Figuur 5: De verdeling van de conditie-index in klassen voor 2025 (oranje) en alle eerdere jaren (blauw).

Conclusie

Steenuilen die vroeg zijn gaan broeden, jongen met een goed gewicht en maar weinig uitval. Allemaal tekenen van een goed voedselaanbod en de potentie van een uitstekend broedseizoen. Toch gaat 2025 uiteindelijk slechts de boeken in als een niet meer dan redelijk jaar. Per gestart legsel vlogen er 2,53 jongen uit, ongeveer vergelijkbaar met het gemiddelde van 2,57 uit de voorgaande jaren. Dat dit aantal toch wat tegenvalt, komt vooral door de erg kleine legsels. Wat hiervan de oorzaak kan zijn is voor ons een raadsel, en bewijst maar weer eens het belang van blijven monitoren. Ondanks meer dan 25 jaar onderzoek door onze werkgroep weten we nog lang niet alles.

Marco Tijs, namens de Werkgroep Steenuilen

Ontdek meer over

Deel deze pagina