Spotlight on #2 Herfstkleuren

Als de nazomer het niet meer wint van de herfststormen, de dagen korter en de nachten kouder worden, dan komt de natuur langzaam in winterstand.
Planten hebben na de droge en hete periode van de zomer nog een groeispurt gemaakt en snel wat bloemen en dus zaad gemaakt om de winter door te komen. Veel zaden zijn ontkiemd en overleven als kiemplant of rozet de winter.
Planten die bovengronds afsterven hebben reservevoedsel in de wortels opgeslagen waardoor die in het voorjaar weer snel act de préséance kunnen geven.
Ook bladverliezende bomen en struiken bereiden zich voor op de koude periode. Onder invloed van kortere dagen, minder zonlicht en lagere temperaturen start een proces op om zoveel mogelijk voedingstoffen op te slaan en langzaam worden de groene bladeren bruin, geel, oranje en rood. De Amberboom (Liquidambar styraciflua) wordt juist om deze kleuren veel aangeplant in steden

Boom met rood-geel herfstblad in park, mensen wandelen op de achtergrond.

Bladeren zijn chemische fabriekjes met als belangrijkste bouwsteen Chlorofyl. Chlorofyl ook bekend als bladgroen is de stof in de cellen van planten, algen en sommige bacteriën die met zonlicht, koolzuurgas (CO2) en water (H2O) complexe stoffen opbouwt. Met Stikstof (N), Fosfor (P), Kalium (K), en andere sporenelementen zoals bijvoorbeeld Magnesium (MG), Calcium (Ca) en Zwavel (S) worden daarna eiwitten, vetten en andere stoffen opgebouwd. Suikers worden door de zeefvaten getransporteerd naar waar die nodig zijn. Een deel wordt omgezet in zetmeel voor toekomstig gebruik.

Kleuren
Het chlorofyl gebruikt juist de rode en blauwe frequenties van het zonlicht. Zonlicht waaruit het rood en blauw is weg gefilterd zien wij als groen.  Het gerefecteerde licht van een blad bevat dus geen blauw en rood en zien wij als groen. Chlorofyl moet gedurende het jaar steeds opnieuw worden aangemaakt en komt in verschillende vormen voor. Zo is er een vorm gespecialiseerd in rood- en een andere in blauwlicht. De opbouw van bladgroen stopt in het najaar, de groene kleur verdwijnt en andere kleurstoffen krijgen de overhand. Afhankelijk van hoe ver die andere kleurstoffen (nog) aanwezig zijn, kleurt het blad.  Daardoor heeft het verloop van de herfst dus grote invloed hoeveel herfstkleuren zichtbaar zijn. Een zachte herfst met geleidelijke dalende temperaturen staat garant voor een kleurrijke herfst terwijl in een korte, koude herfst niet alleen het bladgroen maar ook de andere kleurstoffen snel zijn afgebroken en alleen bruin overblijft.
Uiteindelijk ontstaat er een kurklaagje in de bladsteel. Daarmee sluit de boom of struik zijn aan- en afvoerbanen af en voorkomt daarmee infecties door bacteriën, schimmels en virussen. De meeste bomen laten daarna het blad vallen maar sommige bomen houden een deel van het blad vast aan de boom en valt dit pas in het voorjaar.

De andere kleurstoffen ondersteunen de assimilatie. Carotenoïden (caroteen en xantofyl) zorgen voor gele en oranje tinten en dempen het licht bij te felle zonneschijn. Anthocyaan geeft de rode purperen en bruine tinten.