IVN-column 23 Bosbewoners in de buitenwijk

Bosbewoners in de buitenwijk

Vóór zonsopgang word ik wakker gezongen door een merel die ons slaapkamerraam als zangpost heeft uitgekozen.

MerelDoorgaans ben ik niet blij als ze me zo vroeg wekken, maar nu lig ik stilletjes te genieten van  de volle, melodieuze zang die door de kamer galmt, dankbaar dat één van de fraaist zingende vogels er voor heeft gekozen met de mens samen te leven. Ruim een eeuw geleden leefden we gescheiden, alleen diep in het bos had je een kansje de schuwe zwarte lijster te horen zingen. Wij gingen in steden wonen en merels verstedelijkten vertraagd met ons mee, samen met een heleboel andere bosvogels, zoals de muzikaal wat minder begaafde mezen en houtduiven. Woonwijken behoren tegenwoordig tot de gebieden met de grootste rijkdom aan vogelsoorten. Tuinen, parken  en plantsoenen bieden volop nestgelegenheid, trekken gedierte aan waar vogels dol op zijn, gebouwen bieden ruimte aan holenbroeders als mezen, spreeuwen en gierzwaluwen die steden als een rotslandschap beschouwen en wij helpen vogels massaal de winter door met brood, vetbollen, pindasnoeren en allerlei ander vogellekkers. Mede vanwege al die snackbars in tuinen en op balkons, kiezen veel vogels er voor hier te overwinteren in plaats van weg te trekken. Ze  kunnen dan in het voorjaar vroeger  beginnen met broeden en als de anderen uitgeput van de lange vliegreis terugkeren, ontdekken die tot hun ontzetting dat veel territoria al zijn bezet door soortgenoten in een uitstekende conditie.  Stadsmerels hebben kortere, dikkere snavels dan bosmerels omdat ze minder insecten hoeven los te peuteren, er is immers makkelijker voedsel beschikbaar. Nee, de evolutie houdt geen adempauze. Ze zingen vroeger in de ochtend om de stadsherrie voor te zijn, maar zijn minder stressgevoelig dan de bosmerel die lekker kan uitslapen. Is het dan alleen maar feest in de woonwijken?

De merel op het raam houdt even op met zingen, alsof hij mijn gedachten volgt. Nee, fluister ik, wees niet té relaxed, roofvogels als de sperwer  weten dat het  in woonwijken wemelt van de malse  vogelhapjes, op hun manier is een voedertafel ook een snackbar. Maar huiskatten zijn het ergst! Die azen behalve op jou ook op je pas uitgevlogen jonkies, niet omdat die zo smakelijk zijn, de blikjes eend en kalkoen thuis zijn veel lekkerder, maar gewoon omdat je die zo kunt grijpen. Het geeft wat spanning in hun luie leventje.  ‘Oppassen dus, vogeltje,’ mompel ik. De merel fladdert weg en mijn vrouw wordt wakker. ‘Zei je wat?’ vraagt ze slaperig. 

Jaap Kranenborg

Digitale krantversie Column 2018-23, 6 juni 2018, pagina 6

Naar Columns 2018