De Bijenwolf Phylanthus triangulum

Wespensoort, behorende tot de Graafwespen, welke een opvallend grote kop heeft. Zie PICT0118 (vrouwtje).

  Bijenwolf Phylanthus triangulum      PICT0118

De mannetjes bezitten geen gifangel en bezoeken voor voedsel uitsluitend bloemen. Ze zijn aanmerkelijk kleiner dan de vrouwtjes en hebben op hun voorhoofd een geel kroontje met drie afgeronde tanden. Bij het vrouwtje heeft het gele kroontje veelal slechts twee spitse tanden.

Als de Bijenwolf, gewoonlijk begin juni ontpopt en aan het aardoppervlak verschijnt, wordt al vrij snel begonnen met het produceren van nageslacht. Na de paring wordt door het vrouwtje een schacht van tot wel bijna een meter lengte in vrij losse grond gegraven. Deze schacht wordt soms in een steile wand gegraven, maar meestal gewoon vertikaal of onder een schuinte in de grond. Aan het einde van de schacht splitst deze in soms wel tot tien gangen naar broedcellen, welke elk ongeveer zo groot zijn als een duivenei.

Nu gaat het vrouwtje op jacht naar voedsel voor haar toekomstige nageslacht. Dit voedsel bestaat voor de jonge Bijenwolven uitsluitend uit verlamde Honingbijen. Om een Honingbij te vangen heeft het Bijenwolfvrouwtje een speciale techniek; ze vliegt als een zweefvlieg boven een door een Honingbij bezochte nectarplant. Bevindt ze zich in de juiste positie, en ruikt ze dat het een Honingbij betreft, dan gaat ze stil boven de Honingbij hangen, om op het juiste moment bliksemsnel aan te vallen.

Met haar, van sterke kammen voorziene poten, grijpt ze de Honingbij stevig vast en verlamt haar prooi met een zuiver gerichte steek met haar gifangel in de streek net onder de kin. Hiermee wordt het centrale zenuwstelsel van de Honigbij vrij snel uitgeschakeld. De, in het begin zich nog stevig verwerende Honingbij, probeert haar belager met haar gifangel eveneens te steken, maar de angel heeft geen vat op de gladde dikke chitinehuid van de Bijenwolf.

Zie PICT0120 en PICT 0121.

   Bijenwolf Phylanthus triangulum 1

    PICT0120

 

Bijenwolf Phylanthus triangulum 2PICT0121

De Honingbij wordt daarna stevig tegen het sterk gekromde achterlijf van de Bijenwolf aangedrukt, waardoor de honingmaag van de Honingbij langzaam wordt leeg gedrukt. De uitstromende nectar wordt door de Bijenwolf gretig opgedronken via de zuigsnuit van de Honingbij.

Zie PICT0122.

Bijenwolf Phylanthus triangulum 4      PICT0122

Daarna vliegt de Bijenwolf met haar prooi, buik tegen buik, en kop bij kop, naar de door haar vooraf uitgegraven schacht. Om precies die plek terug te kunnen vinden, te midden van soms wel enige honderden nestingangen, heeft ze diverse oriëntatiepunten van de directe omgeving heel goed in zich opgenomen.

Nadat ze de verlamde Honingbij in een broedcel heeft afgeleverd, en eventueel een eitje heeft gelegd, maakt ze de ingang van de schacht weer netjes dicht. (Voor een mannelijke nakomeling levert ze 2 tot 3 prooien aan per broedcel, en legt dan 1 eitje op de laatst aangevoerde prooi, en voor een vrouwelijke nakomeling wel 4 tot 6 prooien, en legt dan 1 eitje op de laatst binnengebrachte prooi.)

Uit een gelegd eitje komt na ongeveer 3 dagen een larve, welke gewoonlijk binnen 1 week alle in de broedcel aanwezige Honingbijen opeet. Daarna gaat de larve een rustfase in, welke duurt tot het volgende voorjaar. Uiteindelijk zal de larve zich verpoppen en meestal begin juni zich ontpoppen. En daarmee is de levenscyclus van de Bijenwolf rond.

Tekst en foto's: Fons Jacobs