Amfibieënwerkgroep: monitoren en verbeteren van poelen

De amfibieënwerkgroep van IVN Rooi monitoort vanaf 2014 16 poelen voor Staatsbosbeheer  binnen de gemeentegrenzen van Sint-Oedenrode . Hiermee heeft de werkgroep vanaf 2014 maar liefst 45 poelen te scheppen. Naast de poelen van Staatbosbeheer worden ook een 14-tal poelen van Waterschap de Dommel, poelen van de gemeente Sint-Oedenrode en particuliere poelen gemonitord.

De 45 poelen worden in 3 groepen verdeeld (Staatsbosbeheer, Waterschap en overige), elk jaar worden de poelen uit één groep 3 keer in het betreffende jaar bezocht. Een keer in het voorjaar, een keer in de zomer  en een keer in het najaar. Zo ontstaat een goed beeld van de ontwikkeling van het leven in de poel gedurende het jaar Door verschillende jaren achtereen monitoren kunnen we achterhalen of amfibieënpopulaties in bepaalde gebieden het goed doen of niet.

In een bepaald monitoringsjaar wordt elke poel van de betreffende terreinbeheerder 3 keer (zgn. telronden) maximaal een half uur gecontroleerd door middel van een schepnet. Dit houdt in de praktijk in dat er 4 à 5 poelen per avond gemonitord kunnen worden. In 3 à 4 avonden per telronde komen zo alle poelen uit de  groep aan bod. 

Inventariseren versus monitoren

Inventariseren is een manier van waarnemen dat tot doel heeft om het voorkomen en de verspreiding van plant- en diersoorten. Bepaalde gebieden hoeven dan maar een paar keer in een bepaald jaar onderzocht te worden in de periode dat een soortgroep als bijvoorbeeld amfibieën actief is. De aan- of afwezigheid van een bepaalde soort zegt iets over de kwaliteit van het onderzochte gebied. Hierdoor kunnen bijvoorbeeld adviezen worden gegeven om bepaalde gebieden geschikt te maken voor bepaalde soort(groep)en.

Monitoren is een manier van onderzoeken dat zich richt op de talrijkheid van een soort(groep) en het laat zien of deze populaties in een bepaald gebied voor- of achteruit gaan. Om achter deze gegevens te komen, is het belangrijk om het te onderzoeken gebied gedurende meerdere jaren volgens een vastgestelde werkwijze en looproute  te onderzoeken op bijvoorbeeld amfibieën. Door deze standaardisatie ontstaat na een aantal jaren betrouwbare trends van de te onderzoeken soort(groep)en. Op deze wijze kan een nog beter advies worden gegeven over het gevoerde beheer van bijvoorbeeld poelen.

Goede poelen, slechte poelen… 

Een “goede” poel…

• Heeft binnen een straal van een paar honderd meter vanaf de poel voldoende structuurrijke en gevarieerde  houtopslag

• Heeft veel oeverlengte met weinig tot geen houtopslag op de oevers

• Heeft voldoende gradiënten in de oever

• heeft voldoende flauwe oevertaluds

• Ontvangt volop zonlicht en heeft voldoende open water

• Is schoon en helder

• Is niet te diep (tot ca. 1 m diep)

• Is voldoende groot, liefst 100 tot 200 m2

• Is vrij van vis

• Staat weinig of niet onder invloed van grazers (mest)

 

Een “slechte” poel…

• Is grotendeels of geheel beschaduwd door houtopslag

• Heeft veel last van bladval, rotting van blad in poel leidt tot zuurstofarm water

• Is te klein en te ondiep, waardoor poelen te vroeg droogvallen

• Is te groot en te diep, waardoor de kans groot is dat er vis in komt en blijft

• Heeft (te)veel vis, vooral roofvissen waaronder exoten als de zonnebaars zijn funest voor onder andere amfibieën en libellen

• Heeft weinig oeverlengte

• Is vrijwel geheel verland, waardoor poelen te vroeg droogvallen en uiteindelijk verdwijnen

• Heeft troebel en vervuild water, bijvoorbeeld als gevolg van zwerfvuil of bemesting door grazers