De historie van het Gooi

 

Plaatje 1 Opbouw van afzettingen in Nederland.

 

 

 

 

 

Het Gooi heeft vooral in het Pleistoceen (aanvang 2,5 miljoen jaar geleden) gestalte gekregen. Deze periode werd gekenmerkt door een afwisseling van warme en koude tijden, ook wel genoemd interglacialen en glacialen. Aan het begin van het Pleistoceen was het overgrote deel van Nederland door de zee bedekt. Vervolgens ontwikkelde zich in de zee een delta opgebouwd uit materiaal aangevoerd door rivieren, zoals de Elbe, Weser, Rijn en Maas. Dit hing samen met het ontstaan van de middelgebergten in Duitsland en België.

DE GROEI VAN DE BODEM

Het Gooi heeft vooral in het Pleistoceen (aanvang 2,5 miljoen jaar geleden) gestalte gekregen. Deze periode werd gekenmerkt door een afwisseling van warme en koude tijden, ook wel genoemd interglacialen en glacialen.
Aan het begin van het Pleistoceen was het overgrote deel van Nederland door de zee bedekt. Vervolgens ontwikkelde zich in de zee een delta opgebouwd uit materiaal aangevoerd door rivieren, zoals de Elbe, Weser, Rijn en Maas. Dit hing samen met het ontstaan van de middelgebergten in Duitsland en België.
Zo’n 200.000 jaar geleden maakte het Gooi deel uit van een grote vlakte met meren, moerassen en rivieren. Het gebied was begroeid met bossen, bestaande uit elzen, dennen, eiken en haagbeuken. Het gebied overstroomde elk jaar en er werd dan een pakket van zand en grind afgezet. De totale dikte van deze rivierafzettingen in de Gooise ondergrond bedraagt ongeveer 150 meter.

 

Plaatje 2 Grens van het ijs tijdens 2 ijstijden.

 

 

 

 

 

IJSTIJDEN

Het werd steeds kouder. Tijdens deze periode, de Saale-ijstijd (ca. 140.000-90.000 jaar geleden) werden de gletschers in Scandinavië elk jaar groter. Het ijs breidde zich naar het zuiden uit en bereikte ook het Gooi. De deels bevroren grond werd aan de zijkant en de voorkant van de ijstong met geweldige krachten opgestuwd tot twee noord-zuid lopende ruggen, de stuwwal van Hilversum en de stuwwal van Laren-Huizen. Behalve verstoring van de oudere afzettingen werd er door het landijs ook nieuw materiaal afgezet. Onder het landijs werd plaatselijk keileem afgezet, een harde substantie bestaande uit klei, stenen en zand. Gedurende de Weichsel-ijstijd (ca. 100.000-10.000 jaar geleden), de laatste koude periode, bereikte het landijs onze streken niet, maar heerste er in deze omgeving een toendraklimaat. De bodem was permanent bevroren en gedurende kortere of langere perioden binnen deze ijstijd ontbrak de vegetatie vrijwel geheel. Hierdoor kon de wind vat krijgen op het onbeschermde bodemmateriaal. Het fijnere materiaal werd meegevoerd en elders weer afgezet. Deze dekzanden zijn vrijwel in het hele Gooi aanwezig met uitzondering van de hogere delen. Doordat de ondergrond permanent bevroren was, kon het zomerse smelt- en regenwater niet de grond binnendringen. In reliëfrijke gebieden, zoals het Gooi, vormde dit water, dat bovengronds moest worden afgevoerd, dalen in de flanken van de stuwwallen (sneeuwsmeltwaterdalen). Na het verdwijnen van de vorst vond er geen afvoer meer via deze dalen plaats. Nu spreekt men van droge dalen.


HEIDEGEBIEDEN

Zo’n 4700 jaar geleden werd de invloed van de bewoners groter. Het waren akkerbouwers en veetelers. Zij woonden langer op een plek. Hun manier van landbouwbeoefening wordt “landnam” genoemd. Zij kapten stukken bos op de stuwwallen; de takken en bladeren werden als veevoeder gebruikt en het resterende hout werd verbrand. De as aangevuld met dierlijke mest vormde de bemesting van de akkertjes. Als de grond opgebruikt was, kapte men een nieuw stuk bos. Op het braakliggende land kreeg bosopslag maar weinig kans, omdat schapen op dit kruidenrijk schraal grasland geweid werden. Door deze intensieve beweiding veranderde de begroeiing langzamerhand in heide.


VEENPLASSEN

Tot het jaar 1000 was het gebied tussen Vecht en Eem nog zo dun bevolkt dat de bevolking nog geen behoefte had aan het uitbreiden van land voor landbouw en veeteelt. Door de toenemende bevolkingsdruk begon men vanaf die tijd de veengebieden te ontginnen ten behoeve van landbouw en brandstof. Hiervoor moest het veen allereerst ontwaterd worden. Hiervoor werden sloten en vaarten gegraven. Tot 1500 vond vooral droge vervening plaats, het steken van het hoge veen boven de waterspiegel; na 1500 werd steeds meer tot natte vervening overgegaan, het uitbaggeren van het veen, dat vervolgens gedroogd en gesneden werd.
Na 1860 loopt het veenbedrijf geleidelijk ten einde. Door de natte vervening zijn de grote plassen rond Loosdrecht, Kortenhoef en Ankeveen ontstaan, met hun typische beeld van petgaten en legakkers.

 


BUITENPLAATSEN

In 1625 krijgt een aantal Amsterdamse kooplieden toestemming van de Staten van Holland, een gebied liggend op de grens van de zandgronden en het veen van het Gooi te ontginnen en te ontzanden. Het zand van dit ‘s-Graveland werd gebruikt om de fundamenten van de herenhuizen langs de Herengracht, Keizersgracht en Prinsengracht op te laten rusten. Het huisvuil uit de grote stad werd gebruikt om de percelen in ‘s-Graveland op te hogen en vruchtbaar te maken voor landbouw. Al snel ontdekte men de charme van het wonen op een buiten. De oorspronkelijke boerderij maakte in de 18e eeuw plaats voor landhuizen met prachtig aangelegde tuinen. Met de komst van deze buitenplaatsen was er voortaan werk voor arbeiders en ambachtslieden.