Naaldbos
Naaldbossen komen van nature niet of nauwelijks in ons land voor. Mogelijk vormen de pionierbossen met grove den op onze stuifzanden een uitzondering, maar verreweg het grootste deel van het Nederlandse naaldbos bestaat uit aanplantingen. Plaatselijk beslaan deze zeer grote oppervlakten, zoals in de duinen van het Waddendistrict en in boswachterijen op de hogere zandgronden. Deze bossen hebben een eenvoudige structuur en zijn vaak donker en soortenarm.
In Nederland zijn in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw op de Veluwe, in Noord-Brabant, in Drenthe en in de duinen veel naaldbossen aangeplant om zandverstuiving tegen te gaan of om hout te leveren voor de mijnbouw in Limburg.
Veel aanplanten van naaldbossen bestaan uit monoculturen van niet-inheemse houtproductiesoorten, zoals zwarte den, lariks, fijnspar en douglasspar. Van origine komen er in Nederland maar drie soorten naaldbomen voor, dat zijn de grove den, de taxus en de jeneverbes.
Alle andere naaldbomen oftewel coniferen oftewel naaktzadigen komen dus van oorsprong niet in Nederland voor. De naam naaktzadigen, heeft te maken met het feit dat de zaadjes van dit soort bomen ‘naakt’ achter schubben zitten en dus niet ‘ingepakt’ zoals bij de loofbomen. Pak maar eens een dennenappel of een sparrenkegel, dan zie je dat vanzelf wel.
Zowel de den als de spar behoren tot de dennenfamilie (Pinaceae). Beide bomen bestaan uit naalden, en hebben een taaie buitenste schors die hen beschermt tegen schade. De dennen en de sparren behoren echter wel tot verschillende geslachten. Een den tot het geslacht Pinus, en de sparren die we als kerstboom gebruiken tot het geslacht Picea (o.a. de fijnspar) of Abies (o.a. de zilverspar). En dat kun je goed zien: een den heeft lange, zachte naalden, terwijl een spar meestal over harde en korte beschikt. Verder zijn de naalden bij een spar één voor één bevestigd aan een twijgje, terwijl die van een den per twee, drie of vijf aan de twijg zijn ingeplant. Een ezelsbruggetje is dan ook: spar = solo, den = duo (geldt alleen voor inheemse soorten).
De ondergroei van naaldbossen is doorgaans schaars en arm aan planten en struiken, maar rijk aan paddenstoelen, waaronder vaak bijzondere soorten.