Column week 5, Koninkje Winter

‘Relax!’ denk ik vaak als ik een winterkoninkje nerveus zie rondspringen in het struikgewas, het staartje continu opwippend en met het pincetsnaveltje hectisch de kleinste insectjes, rupsjes, spinnetjes en larfjes uit de nauwste spleetjes peuterend. Zo opgefokt als ze klein zijn! En dan hun zang! Onvoorstelbaar hoeveel herrie ze kunnen maken. De trillers ratelen explosief uit dat kleine verenbolletje alsof er niets anders in zit dan een krachtig opwindmechaniek en een luidspreker.

WinterkoningVanwege hun naam zou je verwachten dat ze een beetje bestand zijn tegen de kou, maar dat is niet zo. Kleine diertjes kunnen moeilijker warmte vasthouden dan grote en tijdens de korte winterdagen moeten winterkoninkjes enorme hoeveelheden voedsel verstouwen om vetreserves op te bouwen. Anders lukt het ze niet hun lichaamstemperatuur op peil te houden tijdens de eindeloze winternacht. ’s Ochtends hebben ze zoveel vet verbrand, dat ze alweer tien procent lichter zijn. Dan begint een nieuwe dag van hard aanpoten om de nacht te overleven. Een strenge winter richt een slachtpartij aan onder winterkoninkjes, de helft van de landelijke populatie legt dan het loodje. Pas na vier tot vijf jaar is hun aantal weer op peil. Nee, koning winter is niet aardig voor de winterkoning. Voor de ijsvogel trouwens ook niet, die verhongert als hij door ijsvorming geen visjes meer kan vangen. Het koudegolfje aan het eind van de vorige winter heeft hun populatie waarschijnlijk gehalveerd. Nee, met alleen een stoere naam ben je er niet.

Je zou zeggen: als energie zo kostbaar is, ga er dan wat zuiniger mee om! Kap met die nerveuze bewegingen en stop met zingen in de winter. Want naast het roodborstje is het winterkoninkje zo’n beetje de enige die jaarrond zingt. Zelf zullen ze hier tegen inbrengen dat ze met die zang hun territorium en dus hun schaarse voedselbronnen verdedigen tegen rivalen.

Als de winter voorbij is gaat meneer winterkoning helemaal los. Continu hoor je hem schetteren. En intussen bouwt hij meerdere nesten. Niet wat strootjes of haartjes in een takvorkje gepropt, nee, ingenieuze bolvormige bouwwerken bekleed met mos en een opening aan de zijkant. Mevrouw kiest de mooiste uit.  Als het even kan lokt hij een tweede mevrouw, anders staan die nesten toch maar leeg. Onvermoeibaar sleept hij voedsel aan voor beide legsels, twee gezinnen van pakweg 6 à 7 kinderen. En toch nog tijd om te zingen. Eén brok energie, die winterkoninkjes. Om de zenuwen van te krijgen.

Jaap Kranenborg

Digitale krantversie Column 2019-05, 30 januari 2019, pagina ?

Naar columns 2019