Column week 31, De liefde van de meerkoet

In mijn vijver drijven altijd wel strootjes en stukjes riet. 
Op een dag in april komt een man meerkoet er een paar stukjes riet bijleggen.
Er een ontstaat een soort bedje.
En hij heeft geluk: zijn vrouw gaat er even op zitten.
Dan is het hek van de dam: de hele dag zwemt hij in noodtempo met nestmateriaal naar het bedje.
En jawel, na een week ligt er een ei in het bedje dat nu echt een nest mag heten.

Na een week liggen er 7 eieren in het nest.
De vrouw gaat broeden.
Dat duurt drie weken. 
Alle drie die weken blijft de man de vijver inzwemmen met nestmateriaal.
Zij accepteert het en schikt het om zich heen.

Drie weken na het begin van de broedtijd zie ik de man zwemmen met een heel klein zwart bolletje. Het eerste ei is uit. De man voert en zorgt.

Nog drie dagen later verschijnen er elke dag kleine koetjes, vijf stuks, schuilend bij de moeder.

Dus na 3,5 weken zijn er twee ouders en zes jongen.

Het ziet er vredig en gelukkig uit. Alle jongen worden gevoerd.

De volgende dag zie ik nog vier jongen. Ik heb meelij met de ouders.

En dan opeens hoor ik van een deskundige dat meerkoeten zelf de aantallen van hun nageslacht aanpassen.

Ik geloof het niet. Het kan niet waar zijn. 
De boeken zeggen van wel. Maar nog geloof ik het niet.

Tot ik in de tocht een meerkoet een jong zie verdrinken....

Ze hebben er nu nog twee en daar zorgen ze heel goed voor.

Begrijpen zal ik het niet.

Catherine

Digitale krantversie Column 2019-31, 31 juli 2019, pagina ?

Naar columns 2019