Instituut voor natuureducatie en duurzaamheid

Een leger veelvraten: rupsen in de tuin

rupsen in de tuin (c)marisa stoffers3 oktober 2016
’s Avonds laat komen we terug van vakantie. De kat is blij ons te zien, maar wil vooral naar buiten. In het donker loop ik achter hem aan. Hoe zal de tuin erbij staan? Voor we weggingen, reikte het groen wat ik in onze kersverse nieuwbouwtuin gezaaid had al aardig hoog; de knoppen van de mosterd stonden op springen. Zou het één grote gele zee zijn? Of bloeit het bijenbrood ook al en is het een bont mengsel met paars? Ik knip het lampje van mijn telefoon aan. ‘Wat?’ roep ik luid. De kat schrikt en schiet weg. Ik kan niet geloven wat ik zie. Lange kale stengels zonder blad steken treurig boven de warrige blaadjes van het bloeiende bijenbrood uit. Er zit geen enkel blad meer aan de gele mosterd.

rups groot koolwitje (c) Soebe, CC WikicommonsDe volgende dag zie ik hoe groot de ravage is. De geel-zwarte ukkies van voor onze vakantie hebben zich ontpopt tot grote veelvraten met monsterhonger. Ze hebben de halve tuin verorberd. Rupsen. Ik had ze wel gezien, in bosjes van tientallen bij elkaar, maar we vonden ze wel spannend. En bovendien we wilden toch beesten? Daarom zijn we in een huis met een tuin gaan wonen. Een paar weken geleden zag het ineens wit van de vlinders. Eerst dacht ik nog, wat doen die hier, want bloemen hadden we nog niet. Maar al snel besefte ik dat ze eitjes kwamen leggen. Op de gele mosterd. Dat lijkt op koolzaad en daar houden koolwitjes van. Veel vlinders, of eigenlijk de rupsen, zijn kieskeurig en eten maar een paar soorten. Ik had een rupsenwalhalla gezaaid.

rupsen groot koolwitje (C) Marisa StoffersBovenaan de kale staken lijken dode rupsjes te zitten. Ik vraag me af of ze zijn bezweken aan een overdosis zon. Maar het blijkt dat de beestjes vier keer vervellen. Ze vreten alsof ze obesitas hebben, maar hun huid groeit niet mee! Wat kleine lijkjes lijken, zijn slechts lege jasjes waar de rupsen uitgekropen zijn. Op naar de volgende maaltijd. Overal om me heen zie ik uitbuikende, relaxende of juist knagende rupsen. Honderden. Mijn huid jeukt. Resoluut pak ik een snoeischaar, knip een aantal drukbevolkte stengels af en doe ze in een plastictas. Twee uur lang ben ik in de weer. Resultaat: een tas met tweehonderd vlinderlarven. Sommige kruipen er uit; onvermurwbaar zet ik ze weer terug.

GrootKoolwitje (c) Johan van der VegtIk kijk in de tas. Hebben ze genoeg te eten? Stikken ze niet? Ze lijken opeens zo hulpeloos. Ik doe er nog wat blad bij en ga op zoek naar een geschikte locatie voor deze baby’tjes. Een paar planten koolzaad in de berm keur ik af. Te weinig, en bovendien geen bomen in de buurt voor de poppen. Ik fiets verder. Dan vind ik een grote rand koolzaad langs een sloot met wilgen ernaast. Ik klauter erheen en kieper de tas om, pal naast de felbegeerde bladeren. Mijn zorgzaamheid contrasteert sterk met de kriebels die ik ervoer in de tuin. Alle beesten in veelvoud krioelend door elkaar geven mij rillingen. Denk aan muizen, pissebedden. Eentje is leuk, massa’s niet. Maar toch hoop ik dat deze beestjes vlinders worden. Het is haat-liefde, de rupsen en ik.

Marisa Stoffers

Foto’s
Alinea 1: kale stengels gele mosterd, Marisa Stoffers
Alinea 2: rups van het groot koolwitje, Soebe, CC Wikicommons
Alinea 3: een hand vol rupsen, Marisa Stoffers
Alinea 4: groot koolwitje (vrouwtje) op een kool- of mosterdachtige, Johan van der Vegt

Naar Overzicht blogs van Marisa Stoffers