Duinsterretje

Syntrichia ruralis

Nu het winter is en de meeste planten zijn afgestorven, zien we veel duidelijker dan in andere jaargetijden dat er zich overal in het landschap mossen bevinden. Als één van de weinige mossen houdt Duinsterretje van kaal kalkrijk zand en is pionier op stuivend duinzand. De temperaturen van het kale duinzand kunnen vrij extreem zijn en het Duinsterretje weet met hoge temperaturen en droogte goed om te gaan, door de toppen van de bladeren samen te draaien.

duinsterretje duinsterretje

Hiermee gaat het mos de verdamping tegen en houdt het zoveel mogelijk water vast. De gedraaide bladen, waaraan het de Engelse naam screwmoss ofwel schroefmos te danken heeft, hebben een bruinige kleur die het duinlandschap op warme droge dagen extra dor doet lijken.
Het is handig om als natuurgids op zulke dagen een flesje water bij je te hebben om de mensen te verbazen met deze truc: zodra je water op het mos giet, zie je het mos weer helemaal tot leven komen en groen kleuren. Zodra het mos vochtig is spreiden de bladeren zich als een groen sterretje uit.

duinsterretjeHet Duinsterretje behoort tot de groep topkapselmossen. Topkapselmossen zijn pioniers, zijn lichtminnend en kunnen goed tegen droogte. Veel topkapselmossen kunnen bij droogte verschrompelen en met vocht weer tot leven komen. Een aantal topkapselmossen heeft aan het uiteinde van de bladtoppen een lange glashaar. Dat geldt ook voor het Duinsterretje. Er wordt gedacht dat deze glasharen zonlicht weerkaatsen en ook zo de mosplantjes behoeden voor uitdroging. Een glashaar is een verlengd stukje blad zonder bladgroen.

De geslachtelijke voortplanting is bij de mossen redelijk ingewikkeld. Mossen zijn sporenplanten. Als een spore van een mosplant ontkiemt, groeit daaruit een matje van groene draden. Op dit matje ontstaan diverse mosplantjes. Dat is het mos zoals wij dat normaal herkennen (gametofyt). Op het mosplantje worden vrouwelijke en/of mannelijke geslachtsorganen gemaakt. Onder vochtige omstandigheden kan bevruchting plaatsvinden en zwemmen de zaadcellen met hun twee zweepdraden naar het vrouwelijk geslachtsorgaan. Uit de bevruchte eicel ontstaat een nieuw plantje: het sporenkapsel (de sporofyt). In het kapsel worden sporen gemaakt die uiteindelijk weer tot mosplanten kunnen uitgroeien.

Afgezien van de geslachtelijke voortplanting via sporen kennen mossen nog een trucje om zich te vermenigvuldigen: via broedkorrels, dat zijn kleine stukjes van het mosje die zich, net als stekjes van planten, in de omgeving kunnen vestigen (ongeslachtelijke voortplanting).

Mossen hebben geen wortels maar rhizoiden: kleine celdraadjes waarmee ze zich hechten aan de ondergrond en zijn daarom zo geschikt om droge zandkorreltjes op open terreinen te binden of zich op steen of boomschors te hechten. Als er op een terrein eenmaal mossen groeien, dan vormen ze voor andere planten een goed milieu om zich te vestigen.

Bronnen: wikipedia, Yavannah.nl, IVN, nilsvanrooijen.com, natuurinformatie.nl

Herma Enthoven