Ecologische bermen oostrand Noordoostpolder

Huh? Bermen als natuurgebied? De bermen aan de oostrand van de Noordoostpolder zijn een bijzonder verhaal en zeker de moeite waard om hier te vermelden. Evert de Boer, hier van beginaf aan bij betrokken, vertelt er meer over.

Ligging

Het gebied waar het om gaat loopt globaal van het Kuinderbos tot aan de Kadoelersluis. Het Kuinderbos, Voorsterbos en Kadoelerbos zijn bekende natuurgebieden, de bermen zijn minder bekend.

Ondergrond

Kenmerkend voor de bermen in dit gebied is dat ze deels uit Kuinder- en Blokzijlerzand bestaan. Kuinderzand is een groffe vorm van zand, terwijl er niet af nauwelijks fijner zand bestaat dan het Blokzijlerzand. Kenmerk van deze zanden is dat ze vaak kalkrijk zijn.

Blokzijlerzand is vrij vochtig, waardoor waterminnende planten hier massaal kunnen voorkomen. Kuinderzand is veel droger, wardoor hier planten voorkomen die beter tegen droogte kunnen. In tegenstelling tot de voornaamste grondsoort in de polder, klei, bevatten de zandgronden veel minder mineralen waardoor juist een schrale, maar rijke flora kan ontstaan in deze bermen.

Historie

Vanaf het begin van de Noordoostpolder, tot aan 1957 is veel onderzoek gedaan naar de wilde flora.

Tussen 1941 en 1957 is veel onderzoek gedaan naar de wilde flora in de Noordoostpolder.

Een van de meest zeldzame soorten die aan de Uiterdijkenweg stond was de Bonte paardenstaart (Equisetum variegatum) die na de ontdekking begin jaren zeventig van de vorige eeuw nooit meer in dit gebied is gevonden.

Als groeiplaats noemt men: Zeeduinen, Kalkmoerassen, afgravingen en bermen. Lemige bermen aan de rand van de Noordoostpolder en droogvallende zandplaten.

Je mag stellen dat het gebied ideaal is voor het terugkomen van deze soort.

Rond wintergroen (Pyrola rotundifolia) kwam voor in de berm van de Uiterdijkenweg en de Blankenhammerweg, maar is na het ophogen door gebiedsvreemde grond verdwenen. In het Burchttocht gebied is deze plant teruggevonden!

Parnassia (Parnassia palustris) kwam na de drooglegging massaal voor maar is ook door de tijd verdwenen. Er werd een proef gedaan met het herintroduceren van deze soort. Het lijkt een succes te worden want ze breidt zich langzaam uit.

 

Vanaf de drooglegging van de Noordoostpolder was het gebied onder beheer van Directie van de Wieringermeer (Noordoostpolderwerken).

De pachters of eigenaren van landbouwbedrijven die aan de wegen lagen waren verplicht om de bermen langs hun percelen te maaien inclusief de sloten. Veelal werd het maaisel als hooi voor paarden gebruikt.

In 1962 veranderde dit doordat de gemeente Noordoostpolder ontstond.

Behoudens rijks- en provinciale wegen kreeg de gemeente de andere wegen in haar bezit waardoor zij ook verantwoordelijk werd voor het onderhoud van de bermen en sloten van de wegen.

Vanaf deze periode werden de bermen soms nog door landbouwers gemaaid en het gras geoogst.

Ook in het gebied van de oostrand waren er ondernemers die royaal kunstmest of dierlijke mest op de bermen strooiden waardoor de arme vegetatie veranderde in een rijke graslandpopulatie.

Veel bermen werden niet door de gemeente gemaaid waardoor distels en brandnetels in grote getale voorkwamen. In de Noordoostpolder is een distelverordening. Dat wil zeggen dat men verplicht is deze te bestrijden.

Wat ook bijgedragen heeft aan de verruiging van de bermen aan de oostrand was het feit dat de wegen in het gebied veelal aangevuld werden door niet gebiedseigen grond. Deze grond kwam meest van plaatsen waar wegverbredingen en aanleg van fietspaden plaats vond, dit was meest zavelgrond. Dus veel mineraal rijker.

Zeer veel zeldzame planten verdwenen daardoor rap van het toneel.

In de periode rond de zestiger jaren van de vorige eeuw was er door enige liefhebbers al een uitgebreide inventarisatie van de bermen gedaan. Deze gegevens waren wel bewaard maar nooit publiekelijk naar voren gebracht.

 

Op initiatief van Henk Veringa en het floraonderzoek van Evert de Boer, leden van I.V.N. Noordoostpolder, kregen deze voor elkaar om een projectgroep bij elkaar te roepen zoals:

Gemeente Noordoostpolder, Waterschap Zuiderzeeland, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Landschapsbeheer Flevoland, enkele NLTO-afdelingen, IVN en individuele agrariërs.

 

Nu kwamen de gegevens uit het verleden goed van pas en werd ingezien dat er iets gedaan moest worden om deze eens zo rijke bermen te beschermen.

 

Er kwamen fondsen vrij om grote delen van het gebied te ontdoen van de gebiedsvreemde gronden waardoor het originele zand uit de Zuiderzeeperiode terug kwam.

In 1999 kwam plan proefproject ‘Blankenhammerweg’ tot ontwikkeling.

De wegbermen werden geplagd waardoor de rijke toplaag verdween.

Het resultaat was verbluffend want na drie jaar verschenen de eerste Rietorchissen, die in het verleden in grote getale voorkwamen.

Door het resultaat van het proefobject werd er opgeschaald.

In de jaren 2003, 2004, 2005 en 2007 werd totaal 37,5 kilometer in de oostrand geplagd.

 

Overzicht geplagde wegen:

 

Blankenhammerweg

Schoterweg

Hopweg

Schansweg

Kadoelerweg

Uiterdijkenweg

Ettenlandseweg

Schoterpad

Creilerpad

Lindeweg.

 

Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en aangrenzende agrariërs hebben aangegeven het slootmaaisel op hun land te willen ontvangen.

Waterschap Zuiderzeeland zorgde voor afvoer slootschoningsmateriaal van de Blankenhammerweg.

Deze brede sloot zorgt voor aanvoer van water naar het glastuinbouwgebied van Luttelgeest. Deze berm is in tegenstelling tot andere bermen erg breed en leende zich daarom goed voor een proefproject.

De gemeente Noordoostpolder droeg zorg om de bermen te maaien en het maaisel af te voeren.

In de maanden juli en oktober werd afgesproken dit uit te voeren.

Voor de eerste maaibeurt worden de bermen van de oostrand geïnspecteerd of er bijzondere planten staan die niet afgemaaid moeten worden vanwege zaadvorming om zodoende een “Zaadbank” te vormen. Deze delen worden afgezet met een rood lint. Na de maaibeurt worden de linten weer verwijderd.

In de maand oktober wordt de hele berm gemaaid en de vegetatie afgevoerd.

 

De inventarisatie van de bermflora werd opgedragen aan Landschapsbeheer Flevoland. Die in de maanden juni begin juli en augustus begin september een inventarisatie ronde zou doen.

 

In 2013 werd de jaarlijkse inventarisatie gestopt. Het beheer van tweemaal per jaar maaien en afvoeren werd onveranderd voortgezet. In 2020 zijn alle bermen weer uitgebreid geïnventariseerd en opnieuw waren de resultaten spectaculair Om het gevoerde beheer goed te evalueren is het zinvol om iedere 5 jaar weer uitgebreid te inventariseren.

 

De hoeveelheid orchideeën en rode lijst soorten waren toegenomen, terwijl de hoeveelheid aan soorten vrijwel gelijk bleef. In 2020 werden in het gebied 270 verschillende plantensoorten gevonden. Dit waren alleen landplanten, dus specifieke waterplanten waren niet meegenomen in het resultaat.

Het mag duidelijk zijn dat na het afplaggen er geen enkele introductie van welk gewas dan ook is gedaan, behoudens Parnassia.

 

Vanaf 2015 is door een vrijwilliger onderzoek gedaan naar de stand en hoeveelheid orchideeën aan de Uiterdijkenweg en Blankenhammerweg, dit laat zich zien in een tabel.

 

De bermen in de oostrand zijn na de start van het ecologisch beheer niet alleen voor plantenliefhebbers interessant, maar ook uit de professionele hoek is belangstelling.

Zo staat het volgende over Flevoland vermeld in de nieuwste Heukels Flora, het wetenschappelijke standaardwerk voor Nederland; “De naar verhouding rijkste flora komt voor in de randgebieden van de Noordoostpolder en langs het Veluwemeer.”