Gewone regenworm

Lumbricus terrestris

gewone regenwormIn Nederland komen zo’n 25 soorten wormen voor. Deze zijn te onderscheiden in drie groepen afhankelijk van hun voedselkeuze, voorkomen en gedrag. Zo zijn er de strooiselbewoners (deze wormen leven vlak onder het bodemoppervlak), bodembewoners (zijn grondeters) en de pendelaars (zijn gangengravers). De Gewone regenworm is zo’n pendelaar. Hij behoort tot de familie van de regenwormen en tot de stam van de ringwormen.

De Gewone regenworm is een goede compostproducent en een hele goede tunnelbouwer. Door het graven van tunnels en het afbreken van plantaardige materiaal heeft hij een grote invloed op de bodemstructuur. Zo zorgt hij voor de menging van de aarde, brengt voldoende zuurstof in de bodem en zorgt dat de zuurgraad en het vochtgehalte op peil blijven. De wormen kunnen de grond behoorlijk veranderen. Lucht, water en plantenwortels kunnen daardoor makkelijker de grond in komen. Charles Darwin (evolutietheorie) wees destijds het volk al op het belang van wormen. In zijn boek “The formation of vegetable mould, through the action of worms - with obersations on their habits” beschreef hij de rol van de worm in bodemvorming en zijn impact op het landschap. De experimenten voerde hij uit in zijn achtertuin.

De Gewone regenworm dankt zijn naam aan het feit dat ze vooral te zien zijn als het regent. De wormen komen bovengronds tijdens een bui omdat ze de trillingen die de regen veroorzaakt verwarren met de trillingen van een vijand. Ook kennen we allemaal het beeld wel van een vogel die al stampvoetend (wormendans) probeert de worm in zijn val te lokken. De Gewone regenworm kom je bijna overal tegen. Behalve in droge klimaten en op Antarctica.

De Gewone regenworm is een ongewerveld dier met een roodgekleurde kop en een lang grijs/roze week lichaam. Het lichaam is opgebouwd uit ringen. De ringen noemen we segmenten. Op elk segment staan 4 paar kleine borstels. Een Gewone regenworm beweegt zich voort door spiersamentrekkingen waardoor het lichaam verplaatst. De stand van de borstels speelt hierbij een rol. De borstels zijn kantelbaar zodat de worm zich makkelijk voor en achteruit kan bewegen en zorgen ook voor grip. De grootte van de worm is 10 - 25 centimeter lang en hij is ongeveer 8mm dik.

gewone regenworm             

De Gewone regenworm is tweeslachtig (hermafrodiet noemen we dat), maar kan niet de eigen eitjes bevruchten. Paren doen ze bovengronds onder natte omstandigheden. Het clitellum (zadel) produceert extra veel slijm waardoor de ze aan elkaar blijven plakken. Kop tegen kont en kont tegen kop liggen ze zo’n 2 uur lang zaadcellen uit te wisselen. Later beslist de gewone worm of ze de eicellen met deze zaadcellen wil bevruchten. Dan wordt de slijmlaag naar voren gebracht, naar de vrouwelijke geslachtsopening. De eitjes worden dan buiten het lichaam bevrucht tijdens de vorming van een cocon. De slijmkoker wordt van het lichaam afgestroopt.

De Gewone regenworm eet voornamelijk dode en rottende plantenresten. De uitwerpselen van de worm bestaat uit humus. Onder goede omstandigheden (niet te droog, niet te koud en niet te zuur) kunnen op 1 hectare wel 1 miljoen gewone regenwormen voorkomen. Samen kunnen die wormen wel 5 kilometer aan tunnels graven en op jaarbasis verwerken ze zo’n 3000 kilo grond tot compost.

Wormen staan bij veel dieren op het menu zoals mollen, merels, kippen en andere vogels. De borstels zorgen voor extra weerstand waardoor de wormen niet zo makkelijk de grond uitgetrokken kunnen worden door de vijand. Maar ook de mens is een vijand die de worm gebruikt als aas voor het vangen van vissen. Ook het weer is een vijand voor de worm. Als het te droog is moeten de wormen dieper in de grond schuilen om niet uit te drogen. In de winter kruipen ze dieper in de bodem om aan bevriezing te ontkomen en gaan ze  in winterslaap. Het bijzondere aan de worm is dat deze in staat is een niet al te groot gedeelte van een amputatie geheel te regenereren.

Bronnen: wikipedia, allemaal beestjes.nl, spreekbeurten.nl, kennislink.nl

Jolanda Groenenberg