
Boven de grond
Blad
Mijn blaadjes hebben een gezaagde rand. Ze zijn groen in de zomer en geel in de herfst.
Bloem
Ik bloei al in de winter, als een van de eerste bomen. Mijn mannelijke katjes zijn goed zichtbaar en maken stuifmeel. Mijn vrouwelijke bloemetjes zijn piepklein en rood. De wind zorgt voor de bestuiving.
Vrucht of zaad
Ik maak hazelnootjes. Die zitten in een harde schil. Je moet de nootjes kraken voordat je ze kunt eten.
Voedsel voor dieren
Eekhoorns en muizen verzamelen mijn nootjes als wintervoorraad. Vogels proberen mijn noten te kraken door ze in een groef van een boom vast te zetten. Zo verspreiden ze soms de hazelnoten. Mensen eten ook hazelnoten. Reeën en rupsen eten mijn bladeren.
Binnenkant
Hout
Als ik ouder ben, kan ik goed tegen snoeien. Mijn lange, buigzame takken kun je voor veel dingen gebruiken, bijvoorbeeld voor een bezemsteel of wandelstok. Grotere vogels kunnen kleine takjes afbreken met hun snavel. Dat hebben ze nodig om een nest te bouwen. Kraaien, eksters en kauwen kunnen dat.
Schuilplaatsen voor dieren
Insecten schuilen tussen de bladeren. En ook een merel schuilt graag op een takje.
Onder de grond
Wortels
Mijn wortels groeien oppervlakkig. Ze gaan niet diep de bodem in. Daarom heb ik regenwater nodig.
Bodemleven
Ik werk samen met schimmels om water en voedingsstoffen te krijgen. Mijn bladeren zijn rijk aan mineralen en verteren makkelijk. Zo voed ik de bodem.
Bijzonderheden
Ik kan heel oud worden, misschien was ik er wel toen jouw opa en oma nog kinderen waren. Ik krijg geen dikke stam, maar telkens weer nieuwe stammen. Oudere stammen sterven af en ondertussen groeien er weer nieuwe vanuit mijn wortelvoet. Ik kan goed in de schaduw van andere bomen leven en word niet zo groot. Zo zorg ik voor een extra laag in het bos.
Verdieping
algemeen hazelaar
vogels boomklever, grote bonte specht
en nog meer
insecten eekhoornvlinder, hazelnootboorder
schimmels vuurmelkzwam, witte russula
zoogdieren ree, muis