Van ‘Aaltje’ tot ‘Zeekraal’
Na zijn succesvolle Canon van de Nederlandse natuur, schreef IVN Natuurgids Dick de Vos ook de Canon van de Nederlandse boerennatuur. ‘Vroeger zocht ik vooral het scherpe debat op, ook met de landbouw. Deze keer probeerde ik waardevrij te beschrijven wat de natuur in dat grote grijze gebied tussen “donkergroen” en “intensief agrarisch” te bieden heeft.’
Als neerlandicus weet Dick de Vos als geen ander hoe platgetreden de beroemde dichtregel van Bloem, uit zijn sonnet De Dapperstraat (1945) is. Toch durft hij zijn nieuwste boek er uit de grond van zijn hart mee te openen. ‘Wat is natuur nog in dit land?’ Nadat hij in 2023 bij de KNNV Uitgeverij een canon over de Nederlandse natuur had uitgebracht, was het werk voor zijn gevoel niet af. ‘Ik had mij echt gericht op de Natuur met een hoofdletter N. Maar daarmee was heel veel natuur, vooral die van het boerenland achterwege gebleven, terwijl veel mensen dat toch ook als natuur ervaren. Er moest dus ook een canon komen met vijftig lemma’s over de boerennatuur.’
Als je het over boerennatúúr hebt, is het dan niet een beetje vreemd om na het ‘Aaltje’, de van bestrijdingsmiddelen vergeven ‘Aardappel’ als tweede lemma op te nemen?
‘Ik snap je verbazing. Ja, de traditionele aardappelteelt gebruikt inderdaad enorm veel bestrijdingsmiddelen, al zijn er tegenwoordig gelukkig ook prima biologische aardappelen te koop. Je moet er alleen net iets meer geld voor over hebben. Toen ik voor de Partij voor de Dieren in de gemeenteraad van Leiden zat, ging ik vaak in debat met de politieke vertegenwoordigers van de agrarische sector. Ik kon me ook mateloos ergeren aan de staatssecretaris van het CDA die met droge ogen beweerde dat een bloeiend aardappelveld de mooiste natuur was die hij kende.
Maar tegelijkertijd ging ik met mijzelf in een filosofische discussie. Kan het misschien zijn dat een aardappelboer die zegt dat hij iets voor de natuur doet ook een beetje gelijk heeft? Wat zit er allemaal aan natuur tussen de donkergroene natuur uit mijn eerste canon en de intensieve landbouw aan het andere uiterste? Vandaar dat de – biologische – aardappel volgens mij ook in deze canon thuishoort. We zijn per slot van rekening ook echt aardappeleters.’
En zo zijn dus ook tulp, peen en kool in de natuurcanon gekomen?
‘Vergis je niet hoeveel mensen het idee hebben dat ze een dagje in de natuur zijn, als ze een fietstocht door de bollenstreek maken. En ook in die hoofdstukken stip ik graag de nog prille biologische teelt aan, net als de historie van de tulpenmanie uit de Gouden Eeuw. Ik wilde dat allemaal waardevrij beschrijven. Dus ook hoe de peen, de kool, maar ook het gedomesticeerde rund zijn voortgekomen uit wilde varianten.
Nog steeds groeien er in de vrije natuur allemaal wilde planten die je net zo goed kunt eten als de penen en kolen uit de supermarkt. En als de grote Heimans, Heinsius en Thijsse in hun oude Flora de peen en aardappel hebben opgenomen, wie ben ik om daar mijn neus voor op te halen?’
Ben je bij het beantwoorden van die filosofische vraag over de natuurwaarde van het boerenland ook zelf nog op verrassingen gestuit?
‘Zeker! Ik wist natuurlijk wel dat de bodem belangrijk is, maar zó belangrijk?! Er is echt een wereld voor mij opengegaan over het universum onder onze voeten. Omdat de regenworm al in de vorige canon zat, heb ik die wereld terug laten komen via het eerste lemma: het aaltje. Wist je dat er duizenden verschillende soorten zijn van deze piepkleine, doorzichtige ‘wormpjes’? Als ik eenmaal op onderzoek ga, voel ik me net een kind in een snoepwinkel. Er is zoveel te ontdekken en vooral ook zoveel te delen. Als schrijver en ook als Natuurgids bij IVN Leidse Regio doe ik niets liever dan al dat lekkers delen met anderen!’
Er ontbreekt natuurlijk wel één heel belangrijke boerennatuursoort: onze nationale vogel!
‘Ja, de grutto zat al in de vorige canon, maar ik ben het met je eens dat die eigenlijk hier thuis had gehoord. Vooral omdat de grutto in de jaren tachtig van de vorige eeuw nooit zo “onnatuurlijk talrijk” had kunnen worden zonder de kleinschalige landbouw. Dat we nu veel minder grutto’s hebben komt vervolgens weer door de intensivering van diezelfde landbouw.
Dus ja, als ik vier jaar terug had geweten dat er een boerennatuur canon aan zat te komen, dan had ik de grutto inderdaad bewaard. Nu worden de weidevogels vertegenwoordigd door de kievit. In plaats van de “koning van de weide” heb ik dus “de loopjongen van de weide” opgenomen. Ook een geweldige soort natuurlijk.’
Weet je nu na vijftig lemma’s wat boerennatuur eigenlijk is?
‘Ik ben een eind gekomen denk ik. Het schuurt in ieder geval en dat maakt het alleen maar interessanter. Er is niet zoiets als ‘échte’ natuur versus boerennatuur. Alle Nederlandse natuur is ontstaan in reactie op ons landgebruik. Zeker, in de marges van een intensief boerenbedrijf is het lastiger voor wilde soorten om een plekje te vinden. Maar toch zet één op de vijf boerenbedrijven zich in voor agrarische natuur, vaak geholpen met subsidies.
En dat levert ook echt wat op. Juist op het grensvlak van natuur en cultuur, bijvoorbeeld in het Twentse coulissenlandschap, vind je de hoogste biodiversiteit. Dat kan gaan over “sexy” soorten zoals de kerk- of steenuil, maar ook minder populaire soorten als de steenmarter. Die laatste heeft de selectie voor de canon trouwens niet gehaald.
In de keuze van de vijftig soorten die de canon wél hebben gehaald, heb ik geprobeerd geen stelling te nemen. Laat lezers zelf maar oordelen of ze die natuur vinden of niet. Ik hoop dat het inspirerende beschrijvingen zijn geworden, en geen deprimerende. Zonder de problemen in de natuur uit de weg te gaan, hoop ik dat dat we er af en toe ook nog een beetje om kunnen lachen.’
Je sluit af met een lemma over zeekraal. Is dat de toekomst van de boerennatuur?
‘Met de veranderingen in het klimaat en de bijbehorende verzilting van het westelijke deel van ons land zou dat zomaar kunnen. We zullen toe moeten naar meer droogte- en zouttolerante gewassen. Gelukkig heeft de natuur op dat gebied nog veel inspiratie te bieden. Ik ben wat dat betreft ook wel hoopvol. Tijdens mijn leven heb ik de vegetarische sector zien groeien van een obscure reformwinkel naar een schap van enkele meters in de supermarkt.
Ik blijf al die ontwikkelingen met belangstelling volgen, terwijl ik ondertussen ben begonnen aan de derde en laatste canon, die over de stadsnatuur. Deze keer doe ik dit samen met kenners Barbara Gravendeel en Menno Schilthuizen. In de stad komt meer natuur voor dan je denkt. De stad is een volstrekt nieuw biotoop, met als gevolg dat veel soorten zich razendsnel aanpassen. Het is een evolutionaire snelkookpan. Spannend om in deze tijd te leven!’
Dick de Vos, Canon van de Nederlandse
boerennatuur – 50 karakteristieke
soorten wilde planten en dieren,
gewassen en boerderijdieren. KNNV
Uitgeverij
Tekst: Rob Buiter
Foto’s: privéarchief Dick de Vos
Mens & Natuur magazine

