Alle kinderen de natuur in!
Groen doet goed
Kind & Natuur
donderdag19apr2018

Taalontwikkeling in het kabouterbos

Het lectoraat Natuur & Ontwikkeling Kind kijkt naar een kind én naar zijn of haar omgeving. Is dat een ruimte waarin leren en ontwikkelen wordt gestimuleerd, of juist afgeremd? Taalkundige Jannette Prins onderzoekt wat de invloed is van een natuurlijke omgeving op de taalontwikkeling van jonge kinderen.

Waarom staat binnen het lectoraat de omgeving van het kind centraal?

De ontwikkelingsmogelijkheden voor kinderen in een groene ruimte zijn in de vergetelheid geraakt, terwijl het zo’n rijke omgeving is. Daarom staat binnen het lectoraat het kind ín zijn of haar omgeving centraal. Binnen de pedagogiek wordt vooral naar het kind zelf gekeken, terwijl de omgeving veel aanknopingspunten heeft om dieper te leren. Als je bijvoorbeeld met zand of stokken speelt moet je zelf meer nadenken, betekenis geven aan wat je aan het doen bent. Daardoor speel je creatiever en fantasierijker, en ontwikkel je je beter. Als je een bouwsel maakt van takken, moet je nadenken over zwaartekracht, over balans, over wat recht is en wat scheef. Dat biedt ook kansen voor taalontwikkeling.

U doet specifiek onderzoek naar hoe een groene buitenruimte kan bijdragen aan de taalontwikkeling. Hoe gaat zo’n onderzoek in z’n werk?

Eén van de onderzoeken die ik heb gedaan is op een kinderdagverblijf. Geen heel groene plek, de buitenruimte had een moestuintje en een piepklein kabouterbosje. Als volwassene zie je zo’n bosje niet eens als ‘groen’, maar kinderen zijn een stuk kleiner en komen in zo’n bosje toch al tot ander spel. Bij het kinderdagverblijf kregen kinderen een voice-recorder in hun zak, en maakte ik opnames tijdens een taalactiviteit. Kinderen moesten bijvoorbeeld knutselen en tegelijkertijd daarover vertellen. Eerst deden ze een activiteit binnen, daarna buiten. Daar leverde interessante resultaten op. Een meisje dat binnen volledig dichtsloeg en niet kon praten over wat ze aan het doen was, kon dat buiten wel. In het kabouterbosje hoorden we haar zeggen: “ik loop, ik loop, ik loop”, en toen ineens: “ik sluip, ik sluip” en daarna ook nog: “ik sloop”. Niemand had überhaupt gedacht dat zij het werkwoord ‘sluipen’ kende, laat staan de verleden tijd. Ik denk dat het helpt dat ze in zo’n bosje even op zichzelf is en een soort rust vindt. Daar kan ze bewegen en spelen zoals ze dat zelf wil. Ze gebruikt dan taal om zichzelf aan te sturen.

Daar komt dus geen volwassene aan te pas.

Nee, dit meisje ontwikkelt haar taal op zo’n moment echt in haar eentje. Geen volwassene die zich ermee bemoeit en vraagt wat ze doet of wat ze gemaakt heeft. Ons idee is dat een kind taal leert van een volwassene, en dat is natuurlijk grotendeels ook zo. Veel praten met kinderen en samen boekjes lezen, daarvan weten we dat het werkt. Maar dat spelen in de natuur ook kan bijdragen is een nieuw inzicht. Juist zo’n moment waarop kinderen zelf de betekenis kunnen voelen en ervaren is heel belangrijk. Zulke basiservaringen zijn vaak heel belangrijke elementen om tot denken te komen over hoe het werkt in de wereld. Dat denken helpt vervolgens om taal te stimuleren, omdat je op zoek gaat naar woorden bij je gedachten. Dit effect wil ik graag op grotere schaal gaan onderzoeken, want hier is nog niet eerder gedegen onderzoek naar gedaan.

U focust op het jonge kind. Waarom kiest u daarvoor? Oudere kinderen kunnen toch ook veel leren in een natuurlijke omgeving?

Als je het over taalontwikkeling hebt, is die bij kinderen in de leeftijd van twee tot en met acht het meest zichtbaar. Met name van twee tot zes leren kinderen de basisstructuren van een taal, ze leren hoe zinsbouw werkt, hoe ze verschillende tijden van een werkwoord kunnen toepassen. Boven de acht zit de taalontwikkeling vooral in de woordenschat, die neemt dan sterk toe. Maar het gaat mij niet om die woordenschat, om woorden over de natuur en de buitenruimte leren. Waar het mij wel om gaat is het onderzoeken hoe de wereld werkt, en hoe je dat kunt uitvinden. Daar is een natuurlijke uitermate geschikt voor. De natuur biedt uitdaging om te experimenteren. In mijn onderzoek ervaar ik dat het voor jonge kinderen heel leerzaam is om zelf dingen uit te proberen en vervolgens te ontdekken wat dat betekent. Concepten bedenken, daar de woorden bij willen zoeken die je gebruikt om andere dingen te ontdekken en benoemen.

Wat hebben scholen, kinderdagverblijven en BSO’s nodig om hierop in te spelen?

Het belangrijkste is dat je mensen hebt die creatief zijn én het belang van een natuurlijke omgeving inzien. Het kinderdagverblijf waar ik het eerder over had is bijvoorbeeld helemaal niet zo heel groen, maar heeft wel een bevlogen leidster. Zij haalt zelf wat tegels uit het plein en maakt er een mini-moestuintje van. Ze creëert iets meer ruimte tussen de struikjes en het is ineens een kabouterbos! Kleine, goedkope ingrepen kunnen al veel doen. Natuurlijk is het geweldig als er geld is om echt flink te vergroenen, maar ook dan staat de creativiteit en de erkenning van het effect van groen voorop.

Over Jannette Prins

Jannette Prins is taalkundige en Pabo-docent bij de Thomas More Hogeschool in Rotterdam. Binnen het lectoraat Natuur & Ontwikkeling Kind van de Hogeschool Leiden onderzoekt zij hoe je in de kinderopvang en het onderwijs gebruik kunt maken van de rijkdom van de natuur voor de brede ontwikkeling van kinderen. In haar onderzoek richt zij zich met name op de taalontwikkeling.

Jannette Prins is een van de keynote speakers tijdens de IVN Kind & Natuur tweedaagse in september 2018. Bekijk hier het programma en meld je aan voor deze conferentie.