Alle kinderen de natuur in!
Groen doet goed
Kind & Natuur
dinsdag18jul2017

Ruimte voor kinderen in de stad

Wereldwijd wonen er meer kinderen in steden dan daarbuiten. Het aantal kinderen dat in de stad opgroeit, neemt ook in Nederland nog steeds toe. Stadsgeograaf Lia Karsten doet onderzoek naar deze nieuwe generatie stadskinderen. 

In het boek 'De nieuwe generatie stadskinderen' bespreek je de groeiende stedelijke oriëntatie. Wat vind je ervan dat steeds meer kinderen in de stad opgroeien?

We hebben allemaal een beeld van een ‘ideale kindertijd’ in ons hoofd, waarin je als een soort Pippi Langkous aan een boom zwaait. Maar de realiteit is anders. We verwachten dat steeds meer kinderen in de stad zullen opgroeien. Ik zou de ontwikkeling niet als ‘erg’ bestempelen. De stad kan ook een goede omgeving zijn om in op te groeien. De stad is een belangrijke leeromgeving, impulsrijk. Je leert er met verschillende mensen omgaan. Maar de steden, zeker in de randstad, worden steeds voller. Die dichtheid hoeft voor kinderen niet negatief te zijn: daardoor zijn er bijvoorbeeld ook veel vriendjes in de buurt. Maar het betekent wel dat we een vinger aan de pols moeten houden, de ontwikkelingen scherp in de gaten moeten houden en proberen deze zoveel mogelijk te beïnvloeden. Want voor je het weet heb je een stad vol beton en stenen. Voor kinderen en ouders is een groene, aantrekkelijke omgeving heel belangrijk. 

Waarom is die groene buitenruimte voor kinderen dan zo belangrijk?

Buiten ontwikkelen kinderen andere vaardigheden dan binnen. Buiten kunnen kinderen hun energie afblussen. Buitenspelen heeft een enorme waarde, blijkt uit allerlei onderzoek. Op sociaal-emotioneel vlak bijvoorbeeld: kinderen maken zelf contact met andere kinderen, leren regels te hanteren, ruzies te beslechten, te onderhandelen. Maar ook op allerlei andere vlakken: cognitief en motorisch bijvoorbeeld.

In je onderzoek heb je het over de bewegingsvrijheid van kinderen. Stadskinderen komen minder naar buiten en hun bewegingsvrijheid is afgenomen. Hoe is dat zo gekomen?

Kinderen komen inderdaad minder buiten en mogen in een zeer beperkte omgeving vrij spelen. Dat heeft vooral te maken met een verschuiving in ons idee van wat een goede kindertijd is. In de jaren ’50, ’60 en ’70 dachten we over kinderen als primair ‘weerbaar’. Sinds circa 2000 zien we kinderen als primair ‘kwetsbaar’. Dat betekent dat de meeste ouders hun kind zien als een kwetsbaar wezen. Iemand die ze moeten begeleiden, iemand die ze nauwelijks alleen laten. Vaak mogen kinderen alleen nog zelfstandig spelen op de stoep voor de deur. Als ze verder weg willen, gaat er altijd iemand mee. Enerzijds heeft dat ook waarde voor gezinnen, zulke gezinsuitjes zijn gezellig en het versterkt de band. Maar tegelijkertijd hebben kinderen minder bewegingsvrijheid en zijn ouders continu belast met het begeleiden van kinderen. Kinderen zijn dus afhankelijk van wat hun ouders kunnen bieden. Als ouders hun kinderen niet kunnen begeleiden, worden het al snel binnenkinderen. Dat speelt met name aan de onderkant van de maatschappelijke ladder, waar ouders weinig te bieden hebben als het gaat om het ontdekken van de buitenruimte. 

Wat zijn belangrijke plekken in de stad? En hoe zouden deze plekken aantrekkelijker kunnen worden? 

Voor alle gezinnen in de stad zijn drie plekken heel belangrijk. De eerste plek is de omgeving dicht bij de voordeur. Dit is voor alle sociale lagen, voor alle gezinnen een belangrijke plek. Een plek waar kinderen nog vrijgelaten worden, waar ouders hun kinderen hun gang laten gaan. Daar moeten we niet beknibbelen. Als je de stoepen breed houdt en zorgt voor meer ‘kleine’ natuur dichtbij huis, blijft het een aantrekkelijke omgeving om te spelen. 
De tweede plek is het schoolplein. Daar brengen kinderen een groot deel van hun jeugd door. Veel ouders en kinderen blijven na school hangen op het schoolplein. Het schoolplein is een belangrijke plek om te spelen en te bewegen, en een netwerkplek voor ouders. Deze plek kan je makkelijk aantrekkelijker maken met een goede – groene – inrichting. Als de pleinen vervolgens openbaar toegankelijk worden, wordt het nog meer een plek van en voor de buurt. 
De derde plek is de natuur verder weg, de openbare groengebieden. Een stadspark bijvoorbeeld, of natuurgebieden net buiten de stad. Dat zijn plekken voor een familie-uitje, niet iets voor elke dag. Dat maakt deze plekken niet minder belangrijk, ze vormen echt een schakel in het geheel. Kortom: drie plekken voor alle typen gezinnen. Plekken met duidelijke aanknopingspunten voor vergroening, waarmee de stad aantrekkelijk blijft voor al haar bewoners.

Over Lia Karsten

Lia Karsten is stadsgeograaf en als associate professor verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. De grote stad is haar werkterrein en de plek die haar voortdurend nieuwe inspiratie biedt. Zij is geboeid door veranderende praktijken van stedelijk gezinsleven en opgroeien in de stad. Samen met architect Naomi Felder schreef zij het boek ‘De nieuwe generatie stadskinderen’ (2016).