Zwavelzwam

Laetiporus sulphureus

zwavelzwamDe Zwavelzwam is een opvallende verschijning: een grote dooiergele tot oranje zwam, die bestaat uit een toef van vlezige, spatelvormige hoeden. Vaak zitten de hoeden, die 10 tot 40 cm breed kunnen worden, dakpansgewijs boven elkaar. De bovenzijde ervan is onregelmatig golvend, fluwelig. Het vlees is geelachtig tot oranje, eerst week en sappig. Oude exemplaren worden wit en kaasachtig-brokkelig. De buisjes zijn bleek citroengeel en hebben fijne poriën, 3 tot 5 per mm. De sporeekleur is wit (een sporee is een figuur van een op een hoopje gevallen sporen.

De Zwavelzwam komt vooral voor op levende bomen en wordt daarom een parasiet genoemd. Hij groeit vaak op eiken maar ook op ander loofhout. Overigens worden levende bomen alleen via beschadigde plekken geïnfecteerd; gezonde, onbeschadigde bomen worden niet aangetast.

Wanneer een boom wordt aangevallen door de Zwavelzwam ontstaat bruinrot. Het mycelium (het netwerk van zwamdraden) veroorzaakt deze bruinrot. Het kernhout wordt aangetast. Dat betekent dat de cellulose, die het hout zijn stevigheid geeft, wordt afgebroken. Wat overblijft, is de bruinkleurige lignine met een kubusvormige structuur. Een andere naam voor bruinrot is dan ook kubusrot. De stam van de boom wordt langzamerhand steeds verder uitgehold.

De felgekleurde paddenstoel werd vroeger wel gebruikt om wol te kleuren. Het verven met natuurlijke stoffen (bijvoorbeeld paddenstoelen) was vroeger heel gewoon, maar met de opkomst van chemische verfstoffen is de kennis van het verven van wol met natuurlijke stoffen vrijwel geheel verdwenen.

Bron: Wikipedia; Ewald Gerhardt, De grote paddenstoelengids; Gosse Haga, De Zwavelzwam (Laetiporus sulphureus), een opvallende verschijning.

Marjolein van Oosten