Wijngaardslak

Helix pomatia

Stam:           Mollusca (Weekdieren)

Klasse:         Gastropoda (Slakken of buikpotigen)

Familie:        Helicidae (Tuinslakken)

Geslacht:      Helix

kind met wijngaardslak wijngaardslak

De Wijngaardslak is een op land levende slak die behoort tot de familie van de Tuinslakken uit de klasse van de slakken of buikpotigen (Gastropoda). De naam buikpotigen en de wetenschappelijke naam Gastropoda zijn te danken aan de gespierde onderzijde van het langwerpige lichaam, die voor de voortbeweging zorgt. De Wijngaardslak is de grootste slak die in Nederland voorkomt.

De Wijngaardslak is herbivoor en leeft van verschillende soorten planten, waarvan verschillende delen worden gegeten. De slak zelf wordt gegeten door verschillende natuurlijke vijanden zoals vogels, egels, muizen etc. en heeft daarnaast te vrezen van de mens. De Wijngaardslak is één van de eetbare soorten slakken en wordt beschouwd als een delicatesse in met name de Franse keuken.

Slakken zijn weekdieren en oorspronkelijk leefden ze in zee. Daar leven nog steeds veel meer soorten dan op het land. Ook de landslakken, waaronder de Wijngaardslak, hebben nog steeds graag een beetje vochtige omgeving, maar anders dan de amfibieën hebben ze geen water nodig voor de voortplanting.

Slakken komen uit eitjes. De eitjes van de Wijngaardslak zijn wit van kleur en rond van vorm met een doorsnede van ongeveer 6 millimeter. De eitjes hebben een zachte maar stevige schaal, die het jong dat binnenin het eitje groeit beschermt. In de zomermaanden legt een volwassen slak soms wel honderd eitjes. De eitjes hebben warmte nodig, anders kunnen de babyslakken niet groeien en uitgebroed worden. Na twee weken beginnen de witte eitjes van kleur te veranderen. Binnenin het eitje is een piepkleine slak klaar om uit het eitje te komen. De zachte schaal van het eitje wordt steeds dunner, totdat hij uit elkaar valt en de jonge slak wordt geboren met zijn eigen schelp (huis)

Als eerste gaat hij eten, de resten van eierschalen en kleine stukjes planten en bladeren rondom zijn nest. De schelp van de slak verandert naarmate hij ouder wordt. Hij wordt harder, verandert van kleur en krult rond in een spiraal, dit wordt winding genoemd. Het huis van de slak beschermt hem tegen roofdieren en slecht weer.

De slak eet met zijn tong omdat hij niet kan bijten en kauwen. Deze wordt ook wel radula genoemd het is een soort rasp met honderden kleine scherpe tandjes om eten naar binnen te werken.

De slak beweegt zich langzaam voort via zijn voet, dit is de onderkant van de slak. Hij laat een spoor van slijm achter. Dit slijm wordt aangemaakt door een klier in de voet van de slak en is erg kleverig, hierdoor kan hij omhoog en omlaag klimmen.

Als de slak volwassen is zoekt hij een andere slak op om mee te paren. De meeste volwassen slakken, ook de Wijngaardslak, zijn zowel mannetje als vrouwtje (tweeslachtig) oftewel hermafrodiet. Voordat ze gaan paren voeren ze een speciale baltsdans uit. Vervolgens klemmen ze zich aan elkaar vast en wisselen pakketjes sperma uit die hun eitjes bevruchten. Als de bevruchte eitjes gelegd worden, zullen het babyslakken worden. De eitjes worden meestal twee weken na het paren gelegd. Maar het sperma kan wel meer dan een jaar in het lichaam van de slak bewaard worden totdat de eitjes er klaar voor zijn. De slak zoekt dan een geschikte plek in vochtige grond en maakt een klein holletje. Een voor een perst de slak de eitjes uit zijn lichaam door een opening achter zijn kop. Als de slak de eitjes eenmaal gelegd heeft, verlaat hij het nest. Na ongeveer twee weken zullen de babyslakken uit de eitjes komen.

 

Bronnen: Wikipedia, Barrie Watts


Marjolein van Oosten