Wespspin

Argiope bruennichi

wespspinDe naam Wespspin of ook wel Tijgerspin heeft alles te maken met het uiterlijk van de spin. De spin kan niet steken en een beet van deze spin is ongevaarlijk voor dieren en mensen. De naam is vooral te danken aan het relatief zeer grote vrouwtje. Ze heeft een zwart achterlijf met heldere gele, witte en diepzwarte grillige banden lijkend op uiterlijke kenmerken van een wesp. De kopborststuk is zilverachtig behaard en de poten zijn duidelijk bruinzwart met geelgrijze ringen. Ondersteboven zittend in het web valt de spin daardoor goed op, maar wordt door veel vijanden juist met rust gelaten vanwege het wesp-achtige uiterlijk. De Wespspin is een van de grootste Europese spinnen en is vanwege de lengte en kleuren moeilijk over het hoofd te zien. Vrouwtjes Wespspinnen worden ongeveer 15 millimeter lang. Door de grote dikke poten is het vrouwtje aanzienlijk groter dan het mannetje. De mannetjes zijn dofbruin en veel kleiner, ze worden maximaal 5 millimeter lang.

Het mannetje van deze soort kan hoog uit twee keer paren omdat hij bij het paren een van zijn twee genitaliën in het vrouwtje laat zitten. Dat verkleint de kans dat andere mannetjes zich succesvol kunnen voortplanten met het vrouwtje. Mannetjes weten een onsuccesvolle bevruchting te vermijden door een maagdelijk vrouwtje te verkiezen. Zo'n vrouwtje scheidt een specifiek feromoon uit dat opgepikt wordt door mannetjes.

Het mannetje wordt na de paring vrijwel altijd ingesponnen en later opgegeten door het vrouwtje, zodat een tweede paring uitzonderlijk is. Hij dient het vrouwtje tot voeding, wat de ontwikkeling van zijn nageslacht ten goede komt. Als het mannetje geluk heeft is het vrouwtje pas verveld, dan zijn haar kaken nog zacht en maakt hij de grootste kans om te paren zonder opgegeten te worden voor zijn sperma is afgegeven.

Een mannetje leeft ook aanzienlijk korter, nadat hij volwassen is slechts enkele dagen. Ongeveer een maand na de paring, rond augustus, worden de eitjes afgezet in een relatief enorme, gelige eicocon. Een cocon bevat honderden eitjes en wordt door het vrouwtje bewaakt tot ze sterft. Ongeveer een maand nadat de cocon is gesponnen komen de jonge spinnetjes uit het ei, maar ze verlaten de cocon pas in maart van het volgende jaar. Gedurende de winter kunnen de donker gestreepte eicocons worden aangetroffen. Ze zijn moeilijk over het hoofd te zien omdat ze zo groot zijn als een golfbal en meestal laag tussen grashalmen of struiken worden opgehangen.

wespspin wespspin

De Wespspin richt zich vooral op springende en laagvliegende prooien zoals sprinkhanen, libellen en kevers, die tussen de grassen leven.

De Wespspin hangt altijd ondersteboven in het wielweb, dat te herkennen is aan de twee extra zigzag matjes die straalsgewijs vanuit het centrum zijn aangebracht. De exacte functie hiervan is niet bekend.

Bronnen: Wikipedia, vroegevogels.nl, natuurpunt.be.

Jolanda Groenenberg