Schuimbeestje

Philaenus spumarius

Klasse        : Insecta
Orde          : Hemiptera (halfvleugeligen)

Onderorde  : Auchenorrhyncha (Cicaden)
Familie       : Aphrophoridae
Soort          : Philaenus spumarius        (schuimbeestje, spuugbeestje)

schuimbeestje                                                                     schuimbeestje

Het Schuimbeestje, ook wel Spuugbeestje of Schuimcicade genoemd, is een insect dat behoort tot de onderorde cicaden. Het is in Nederland en België tevens de meest algemene en bekendste cicade. Het Schuimbeestje kennen we allemaal wel van de slijmerige schuimhoopjes die we soms aan planten zien kleven. De lichaamslengte is ongeveer 5 tot 7 millimeter, de kleur is bruin tot bruingrijs met soms lichtere vlekken. De larven zijn bleekgroen tot  geel en leven in een schuimnest.

Van begin mei tot aan het begin van de zomer kunnen de bloemen of de stelen van sommige planten ontsiert worden door een propje wit schuim.

Wat veroorzaakt dit schuim?

In het schuim zit de larve van een cicade, het Spuugbeestje of Schuimbeestje (Philaenus spumarius) genoemd.

Het Spuugbeestje legt in het najaar haar eitjes op de bladeren van de planten waar ze vervolgens op overwinteren. Zo’n 150 soorten planten staan bekend als gastheer. In het voorjaar komen uit de eitjes larven (nimfen) tevoorschijn en die blijven gedurende ongeveer vijf vervellingen in het schuim tot zij volwassen insecten met vleugels geworden zijn. Dit proces neemt 30 tot100 dagen in beslag en is afhankelijk van de temperatuur. De pas uitgekomen larve steekt zijn snuit in de ader van de plant en begint het plantensap op te zuigen. Dat sap bevat veel suiker. Na enkele uren scheidt de larve een zoetige substantie via de anus af die vergelijkbaar is met de honingdauw van bladluizen. Maar de larve scheidt ook een soort was uit. Als er genoeg van dat mengsel is, begint de larve erin te blazen. Het spul lijkt dan op zeep en vormt belletjes. Het schuim, ook wel koekoeksspog genoemd, beschermt de larve tegen uitdroging door de zon  en tegen vijanden zoals vogels, spinnen en wespen.

Slechts een paar graafwespen zijn in staat om de larve uit zijn schuim te trekken en een paar wantsen kunnen de larven uitzuigen dwars door het schuim heen. Ze komen verspreid voor en richten meestal weinig schade aan. Wel zuigen de larven plantensappen uit bladeren en jonge stengels. Op bladeren kunnen dan plaatselijk vervormingen optreden en kunnen de stengels wat krom trekken. Spuugbeestjes zijn te vinden op o.a.: Echte koekoeksbloem, brem, gras, brandnetel, Fluitekruid, Kleefkruid, Klimop, klaver, wilg, lavendel.

De volwassen Schuimbeestjes hebben vleugels met een variabel vlekkenpatroon. Ze komen veel voor op niet al te droge plaatsen op kruiden en houtachtige gewassen. Het volwassen diertje is een klein springertje van 7 mm dat plotseling van een plant wegspringt als het opgeschrikt wordt. Het kan 70 cm ver springen wat ruim honderd maal zijn eigen lengte is. De springkracht is in verhouding tot de lichaamslengte groter dan die van een vlo.

Bron:  www.vtvblijdorp.nl
Foto: Tuinadvies

Marian Klok