Rode Amerikaanse Rivierkreeft

Rode Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus clarkii) en Europese rivierkreeft (Astacus astacus)

 

Het is  al weer december met zijn natte, mistroostige en donkere dagen voor de kerst. We zijn net terug uit Suriname alwaar we 3 weken in de mooie jungle hebben doorgebracht. Geweldig en lekker relaxed. Waarom zou je je ook druk maken, zeker met die tropische temperaturen. Daar knapt een mens echt van op. Hoogtepunt van deze reis was de beklimming van de Fredberg (240 m.), slapen in een hangmat in de openlucht en het spotten van het zeldzame oranje rotshaantje. Nog nagenietend van de mooie ervaringen keer ik terug naar de realiteit, d.w.z. de verplichtingen die horen bij het weer thuis zijn. Ook helemaal goed trouwens, want altijd vakantie wordt  na verloop van tijd “gewoon” en dan is het vakantiegevoel weg. Om toch nog het natuurgevoel vast te houden schrijf ik maar alvast een stukje voor ons krantje en dit keer over de rode Amerikaanse rivierkreeft. Als lid van de amfibieënclub hebben we o.a. aan het eind van de zomer op verzoek van Ravon onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van deze exoot in onze sloten. Wij (er is op meerdere plekken en door andere vrijwilligers ook onderzoek gedaan) hebben geprobeerd bij een sluisje te Biert deze zoetwaterkreeften in onze 2 netten te vangen. Helaas, of juist gelukkig, is er nergens iets gevangen. Toch is dit kreeftje (8 – 15 cm) sinds 1985 aanwezig bij ons. De eerste exemplaren waren ontsnapte (lees: vaak losgelaten!) beestjes, die in vijvers en aquaria gehouden zijn. Met een borststuk met grote scharen, die voorzien zijn van felrode puntjes, en 4 paar looppoten aan het, in segmenten verdeelde, achterlijf met aan het eind een staartwaaier is het een leuk diertje om te zien. De kop met ogen op kleine steeltjes en het borststuk zijn bedekt door een pantser, de zgn. carapax. Deze loopt aan de voorkant uit in een puntig uitsteeksel. Aan de kop zitten bovendien lange voelsprieten. De kreeftjes verblijven het liefst in kalkrijk water, want dat hebben ze nodig voor hun pantser. Het zijn nachtdieren en ze doen zich ’s nachts te goed aan aas, vissen, waterplanten, kikkervisjes, vissen, slakken, wormen, insectenlarven. Eigenlijk alles dus! Bovendien graven ze holen in (het liefst in steile) slootkanten om er eitjes te leggen, te schuilen en bij koud weer in weg te kruipen. Ook vreten ze veel waterplanten en waterdiertjes op, woelen de bodem om en vertroebelen zo het water. M.a.w. wij vinden deze exoot schadelijk. Het ergste is eigenlijk dat ze drager (kunnen) zijn van kreeftenpest en daarmee (maar ook door watervervuiling!) onze inheemse Europese rivierkreeft bijna hebben uitgeroeid. En dat is natuurlijk niet leuk! En na het jaar 2000 zijn er nog meer exotische kreeftensoorten bij ons komen wonen. Denk aan de gevlekte en gestreepte Amerikaanse rivierkreeft. Al met al is er over al deze exoten nog niet echt veel bekend. Rond september/oktober krijgen deze Amerikanen paringsdrift en komen ze het water uit en gaan lopend over wegen op zoek naar andere sloten en vrouwtjes. Mochten ze een geschikte partner gevonden hebben dan volgt de paring, maar daar is niet veel over bekend. Bij onze eigen Europese rivierkreeft pakt de man het vrouwtje beet, draait haar op de rug en spuit zijn sperma over haar achterlijfje,waar het aan vastplakt. Mevrouw gaat daarna op zoek naar een holletje in de slootkant om in alle rust haar eieren te leggen (50 – 600). Deze eitjes komen vast te zitten aan de borstels van de zwempoten en komen daar in contact met het sperma en zo vindt de bevruchting plaats. Volgend voorjaar komen hier doorschijnende miniatuurkreeftjes uit, die nog enige tijd aan de poten van moeders blijven zitten. Wel zo veilig! Tijdens de groei vervellen ze regelmatig. Ze nemen de kalkzouten uit het oude pantser op, werpen het oude pantser af en eten het op. Het kale lichaam neemt nu veel water op en wordt zo groter. Dan wordt er m.b.v. de opgenomen kalkzouten een nieuw pantser gevormd. E.e.a. duurt 6 uur en ze verschuilen zich goed, want je begrijpt dat ze dan zeer kwetsbaar zijn. Bij de Amerikaanse soorten zal het ook wel min of meer zo gaan. De amfibieënclub verzorgt al jaren kindermiddagen “waterdiertjes vangen” bij camping Het Weergors te Hellevoetsluis en daar vangen we elke keer wel rode Amerikaanse rivierkreeftjes. De campinggasten vangen ze zelf ook, want ze zijn zeer smakelijk. Zelfs rauw, maar dan loop je wel het risico besmet te worden met de larven van de leverbot. En die wil je niet in je lijf hebben! Er wordt dus geroepen dat ze schadelijk zijn en geen vijanden hebben. Maar dat is niet meer waar, want wij hebben ontdekt dat ze goed te eten zijn. Maar ook diverse dieren (meeuwen, reigers, meerkoet, fuut, kraai, buizerd, rat etc.) hebben dit smakelijke hapje ontdekt, dus ik vermoed dat er binnen niet al te lange tijd weer een natuurlijk evenwicht is en zo hoort het ook. Geef de natuur gewoon de tijd om alles weer in evenwicht te krijgen zonder dat wij ons er mee gaan bemoeien. Tot die tijd blijven we voor het Ravon onderzoek doen om deze ontwikkeling in de gaten te houden. Al met al een leuke klus om te doen, want beestjes vangen en terugzetten zit ons allemaal in de genen.