Riet

Phragmites australis

 

Riet

Klasse Spermatopsida (Zaadplanten)
Orde Poales
Familie Poaceae (Grassenfamilie)
Onderfamilie Arundinoideae
Geslacht Phragmites
Soort Phragmites australis (Riet)

Riet kan hele kragen vormen langs waterkanten. Het is een plant die echt met alle winden meewaait. Het Riet moet dat ook wel, want het groeit meestal op plaatsen waar de wind vrij spel heeft. Riet heeft enkele eigenschappen die het de mogelijkheid geven om stormen te doorstaan. Ten eerste is het flexibel, daarnaast is het nogal sterk. De flexibiliteit zit deels in de buigkracht van de stengel, maar ook de bouw van de plant bevordert de flexibiliteit. Na een periode met wind uit de zelfde richting zie je in een rietkraag hoe de plant zich staande houdt: alle bladeren wijzen in dezelfde richting. De bladeren zitten met een lange schede rond de stengel vast. Deze schede zit niet aan de stengel, maar er omheen. Daardoor ontstaat een huls die kan draaien rond de hoofdstengel. Zo werkt ieder blad als een windvaan en draait bij harde wind gewoon weg. De wind heeft zo bijna geen greep.

Riet of Echt riet (Phragmites australis) hoort tot de grassenfamilie. Het is een zeer algemene grote grassoort. Het breidt zich op drie manieren uit: door zaad, door wortelstokken en door uitlopers, dat wil zeggen bovengrondse, horizontale stengels waarbij op de knopen een nieuwe plant ontstaat. De hoogopschietende planten kunnen 1-3 m hoog worden. Ze kunnen behoorlijk diep in het water staan. Omdat in de waterbodem niet of nauwelijks zuurstof aanwezig is, is Riet voor de wortelademhaling afhankelijk van de aanvoer van zuurstof via de boven het wateroppervlak uitstekende plantendelen. Transport van zuurstof naar de wortels vindt plaats door luchtkanalen in de holle stengels en wortelstokken. De onderwaterdelen worden zo van zuurstof voorzien.

De stengel staat stijf rechtop en het 1-4 cm brede tot 50 cm lange blad met spits toelopende top is grijsgroen. De rand van de bladeren is fijn getand en daardoor zeer scherp. Op de grens van de bladschede en de bladschijf zit een tongetje (ligula) in een krans van haartjes. De planten zijn helemaal kaal, behalve in de bloeiende pluim.

De plant bloeit van juli tot oktober met een 15-40 cm lange, sterk vertakte, purperkleurige of bruinachtige pluim, die rechtop staat of later aan de top kan gaan overhangen. Van het twee- of meerbloemige, een tot anderhalve cm lange aartje is de onderste bloem mannelijk, de overige zijn tweeslachtig. Tijdens de bloei zie je de bloemetjes open staan en hangen de 2 mm lange helmknoppen naar buiten. Na bevruchting groeit het vruchtbeginsel uit tot een graanvrucht. Na de bloei blijven de resten van de bloeistengel en pluim nog maandenlang zichtbaar. Soms zelfs tot in het voorjaar.

Riet                                                 

Aan het eind van de herfst, voor de winter aanvangt, sterven de bovengrondse delen af met uitzondering van de stijve stengels.

De brede bladeren vertonen een dwarsgolving op wel twee tot drie plaatsen, de zogenaamde duivelsbeet, een golving dwars over het blad waar het opgerolde blad voor het uitvouwen tegen een knoop in de stengel zat gedrukt.

Bronnen: Wikipedia, Plantaardigheden.nl, Flora van Nederland
Foto’s: Wim Klok

Marian Klok