Poelschaatsenrijder

Gerris lacustris

peolschaatsenrijder                                     

De Poelschaatsenrijder heeft een lengte van tussen de 0,2 en 3,5 cm. Hij heeft een langwerpig egaal bruin lichaam en zwarte dijen. Hij heeft vier lange poten en twee korte sterke voorpoten. De twee voorste poten zijn ontwikkeld tot vangarmen. De middelste poten zijn ontwikkeld tot roeipoten, de achterste zijn ontwikkeld tot stuurpoten.

De Poelschaatsenrijder heeft net als alle wantsen een zuigsnuit. Ze boren hun snuit in de prooi en zuigen hem leeg. Vaak doen zij dit in groepsverband. Dan hangen ze in een kring met hun snuiten te lurken aan hun prooi. Hun prooien bestaan uit waterbeestjes die eventjes boven komen om lucht te happen (muggenlarven, salamanderlarven, kikkervisjes) en insecten die in het water vallen (bij, vlieg). Prooien worden herkend door de trillingen op het water.

De vijanden van de schaatsenrijders zijn vissen en de oeverspin. Het grootse gevaar om opgevreten te worden is tijdens de daad. Het mannetje trommelt op het water om het vrouwtje te lokken. Lukt dit, dan bestijgt het mannetje het vrouwtje in het water. Een enkele geslachtsdaad geeft genoeg sperma voor levenslange bevruchting, en een gedekt vrouwtje staat garant voor honderden eitjes. De eieren worden op drijvende waterplanten gelegd.

Wanneer Poelschaatsenrijders op hun prooi afrennen, rennen ze daadwerkelijk over het water. Door de oppervlaktespanning van het wateroppervlak zijn zij daartoe in staat. Bovendien bevatten de uiteinden van de poten van de Poelschaatsenrijder dicht op elkaar geplaatste, waterafstotende haartjes die kleine luchtbelletjes vasthouden. Wanneer zij op hun prooi afrennen kunnen doen zij dit  met versnellingen, die tienmaal groter zijn dan de versnelling van de zwaartekracht (10.g!). Wanneer een poeltje tijdelijk opdroogt, gaan Schaatsenrijders in een soort winterslaap, dit wordt de diapauze genoemd.

Bronnen: wikipedia.org, tuin-thijs.com, nemokennislink.nl, werthof.home
Tony Hage