Platbuik

Libellula depressa

 platbuik 1Foto: mannetje Platbuik: De Vlinderstichting/Kars Veling

Dit gidsenweetje gaat over een insect waarvan ik tot een half uur geleden het bestaan nog niet eens wist. Wat me opviel was de naam, Platbuik, wetenschappelijke naam: Libellula depressa Hoe kan een dier met een platte buik depressief zijn dacht ik met een glimlach, de meesten (mensen in elk geval), doen een moord voor een platte buik en zijn daardoor in elk geval niet depressief…… Maar uiteraard staat depressa hier niet voor depressief maar voor afgeplat, plat gedrukt.

platbuik 2Foto: vrouwtje Platbuik: De Vlinderstichting/Tim Termaat

De Platbuik is een forse libel, die extra groot oogt vanwege zijn zeer brede achterlijf. Zowel voorvleugels als achtervleugels hebben aan de basis een donkere vlek. De aders in de donkere vlekken zijn opvallend geel. Het achterlijf van het mannetje is na het uitsluipen oranje en na verloop van tijd wordt het achterlijf geheel blauw. Bij vrouwtjes is het achterlijf na het uitsluipen vergelijkbaar met mannetjes: oranje maar bij uitgekleurde vrouwtjes is het oranje verkleurd naar bruin.

De Platbuik is te vinden bij stilstaande en zwak stromende wateren die zich in een pioniersstadium bevinden zoals pas gegraven poelen, vijvers, sloten, etc. Uitsluipen gebeurt van eind april tot begin september met een piek in de tweede helft van mei en de eerste helft van juni. De larvenhuidjes kunnen tot meer dan tien meter van het water gevonden worden, zeker wanneer er geen of nauwelijks voldoende vegetatie of andere uitsluipsubstraten aanwezig zijn.

Jonge Platbuiken vliegen weg van het water en zijn soms in grote dichtheden te vinden langs bosranden en houtwallen. Geslachtsrijpe mannetjes keren terug naar het water waar ze veelvuldig boven het water patrouilleren.

Tussen de patrouillevluchten door gaan ze vaak op een vaste uitkijkplaats in de oever zitten, zoals een uitstekende tak. Andere mannetjes worden fanatiek verjaagd, terwijl met vrouwtjes direct in de lucht wordt gepaard. Vrouwtjes zetten klompjes eitjes af door vliegend het achterlijf ritmisch in water te dopen. Meestal wordt ze hierbij bewaakt door het mannetje, dat vlak bij haar blijft vliegen en andere mannetjes op een afstand houdt. Ze zijn zeer mobiel en kunnen nieuwe wateren snel vinden waarna ze ook snel koloniseren.

Angelique Herrebrugh


www.vlinderstichting.nl