Paarse schubwortel

Lathraea clandistina

Een (invasieve) exoot?

paarse schubwortel                                                                                                                                            paarse schubwortel                                                 

Dit voorjaar kwam ik, tijdens een excursie rond de Tenallaplas, voor het eerst in mijn leven de Paarse schubwortel tegen, een (half)parasiet.

Het is een plant die hoort bij de bremraapfamilie (tweezaadlobbigen), waarvan ook de Walstrobremraap later in het voorjaar in de Heemtuin Tenellaplas te vinden is.

In Europa komen 3 soorten schubwortel voor:

  • de Bleke schubwortel, een plant die vroeger zeer zeldzaam in het zuiden van Limburg voorkwam, maar ineens in 1999 in Ridderkerk gevonden werd;
  • Lathraea rhodopea, een endeem in zuid Bulgarije en noordoost Griekenland;
  • en de Paarse schubwortel, die ook bekend staat onder de naam Prachtschubwortel.

Maar ook buiten de Heemtuin is de plant op Voorne-Putten te vinden. Een aantal jaren geleden kreeg ik beschrijving van een plant met “vreemde” paarse bloemen, die vroeg in het voorjaar in het Bernissegebied bloeide, waarvan ik nu vermoed dat het de Paarse schubwortel was. En dit voorjaar heb ik de plant ook in het Vogelenzangpark in Spijkenisse mogen bewonderen.

De Latijnse naam sluit duidelijk aan bij de levenswijze, zelfs wat dubbelop:

  • De genusnaam is afgeleid van Lathraios, het Griekse woord voor heimelijk en
  • clandistina betekent verborgen.

Het is op zich een parasiet die leeft van de sappen die opgenomen worden uit de wortels van onder andere populier en els. Die waardplant heeft daar weinig last van, omdat de opname vanuit de wortel bescheiden is en alleen vroeg in het voorjaar plaatsvindt. Vandaar dat in een aantal bronnen de term (half)parasiet vermoedelijk wordt gebruikt. In één van de bronnen wordt verwezen naar een artikel in De Levende Natuur van april 1908, waarin Heimans de plant omschrijft als parasiet en saprofyt tegelijk. De plant zou in de holte van zijn bladschubben dode insecten verteren.

Het is een plant die van oorsprong in Zuidwest-Europa voorkomt. De plant wordt daar gevonden in loofbossen, vooral populieren- en elzenbossen, maar ook in heggen, struwelen en hakhout. België vormt de natuurlijke noordgrens, waar de plant uiterst zeldzaam is en op de rode lijst staat. Ook in Nederland is de plant op een aantal plaatsen te vinden, deels bewust uitgezet zoals in een botanische tuinen. Maar ook, vermoedelijk al eeuwen geleden, ingevoerd met geparasiteerd pootgoed. Daarnaast wordt in het blad Oase Sipkes als verspreider in Nederland genoemd. Hij heeft verschillende mensen stekken van de plant mee gegeven.

De plant bloeit in maart, april (en mei) met grote paarse bloemen, het enige deel van de plant dat normaliter bovengronds zichtbaar is. De bestuiving vindt plaats door hommels. De nectar heeft een ongebruikelijke samenstelling (sterk alkalisch, met een vleug ammoniak). Dit zou een afweermechanismen kunnen zijn tegen plunderende vogels en mieren, die anders een makkelijke voedselbron zouden hebben aan de laag bij de grond bloeiende bloemen, zonder een bijdrage te leveren aan de bestuiving. De bloemen zijn tweeslachtig en de zaden worden, als ze rijp zijn, uit de doosvrucht geslingerd.

De plant wordt steeds meer populair als decoratieve winterharde tuin plant, maar geduld is wel nodig: het duurt soms wel tien jaar voordat de plant gaat bloeien. Toch is aanplanten, in de tuin makkelijk, zoals te lezen is in een aantal enthousiaste verhalen in Oase, het blad van de stichting Oase.

Bronnen:
https://www.verspreidingsatlas.nl/2448#
https://wilde-planten.nl/paarse%20schubwortel.htm
https://nl.wikipedia.org/wiki/Paarse_schubwortel
https://www.botanischetuinen.nl/planten/plant/5798/lathraea-clandestina/

Artikelen uit Oase:

Bleke schubwortel
https://www.natuurvereniging-ijsselmonde.nl/bleke-schubwortel/

Jaap van Elst