Overblijvende ossentong

Pentaglottis sempervirens

overblijvende ossentongDe Overblijvende ossentong is de enige soort uit het geslacht Pentaglottis in de ruwbladigenfamilie (Boraginaceae). Een vroegere naam is groene ossentong.

De Overblijvende ossentong is een stinzenplant. Dat zijn planten die hier al voor 1500 naartoe zijn gebracht door kloosterlingen of hierheen zijn gehaald door kasteelheren en bezitters van landgoederen. Meestal zijn dit voorjaarsbloeiers en bijna altijd afkomstig uit Zuid-Europa.

De Nederlandse naam ‘ossentong’ heeft betrekking op de ruwheid van het blad, dat als een ossentong aanvoelt. De geslachtsnaam ‘Pentaglottis’ komt van ‘penta’ is vijf en ‘glottis’ is tong: met vijf schubben in tongvorm op de bloemkroon. De soortaanduiding ‘sempervirens’ betekent altijdgroen.

De plant zelf is niet klein, meestal zo’n 50 cm. De groene behaarde bladeren zijn langwerpig tot lancetvormig en meestal 1 – 2 cm breed. Die haartjes houden de dauw vast en voorkomen verdamping. Op deze manier kan de plant droge perioden overbruggen. De klokvormige, blauwe tot paarse bloemen zijn ongeveer 7 mm groot. De bloemen kunnen een enkele keer wit zijn.

Je kunt de planten vinden op ruderale, stikstof- en kalkrijke plekken, zoals in de duinen. Maar ook verspreid in Nederland op kapplaatsen of open plekken in het struweel en op spoorwegterreinen. Ze bevatten veel voeding voor bijen.

Een bijzonderheid van de plant is dat de vruchten een mierenbroodje bezitten. Dit is een aanhangsel aan de zaden, waarop mieren verzot zijn. Die gaan daarom met de zaden slepen en zodoende zorgen zij voor de verspreiding ervan. Het mechanisme is te beschouwen als een minimumvariant van het inpakken van het zaad in een vrucht, opdat die door bijvoorbeeld vogels wordt gegeten.

Bron: De grote natuurgids Michael Lohman, Wikipedia

Marjolein van Oosten