Mieren

Formicidae

mierMieren zijn er altijd, alleen in de winter zie je ze niet. Dan zitten ze onder de grond. In Nederland leven wel 50 soorten. Maar over de hele wereld heel wat meer, namelijk 6.000. De meeste soorten daarvan leven in tropische gebieden.

Meestal zie je de soort Bruine wegmieren. Die zie je in de tuinen en op straat. Ze leven in een nest onder een graspol of steen. In bossen leven de Rode bosmieren. Deze maken nesten van dennennaalden, deels onder en boven de grond. Soms zijn deze nesten meer dan een meter hoog. Faraomieren zijn de kleinste mieren in Nederland. Ze zijn ooit per toeval in Nederland gekomen. Je kan ze bijna niet zien en kruipen door alle kiertjes om aan voedsel te komen. Andere soorten komen ook veelvuldig op allerlei plaatsen voor. Vaak gebruikt men mierenlokdoosjes of strooien mensen gif ter bestrijding van mieren. Mensen zetten, als ze geen gif willen gebruiken, ook wel Goudsbloemen of Afrikaantjes in de tuin.

Uiterlijk van de mier
Een  mier is een insect. Insecten herken je aan dat ze zes poten hebben. Het lichaam heeft een kop, borststuk en achterlijf. Aan het borststuk zitten de poten vast. Op de kop zitten 5 ogen en 2 grote voelsprieten. Ze kunnen niet goed zien. Wel goed ruiken met de voelsprieten. Eten en voorwerpen vastpakken doen ze met 2 kleine schepjes met tandjes eraan. Tussen deze twee “zgn. kaken” zit een klein tongetje. Daarmee likken ze nectar uit bloemen.

Onderlinge verdeling
Mieren leven altijd in groepen: volk of kolonie. Daarin leven vrouwtjes, mannetjes en werksters. Een werkster is een vrouwtje dat geen eieren kan leggen. De mieren die je ziet lopen, zijn bijna altijd werksters. De vrouwtjes zijn meestal groter dan werksters. Die worden koninginnen genoemd. Alleen de koninginnen en mannetjes hebben vleugels en gebruiken deze alleen bij het paren.

Bevruchting
Aan het einde van een warme dag in de zomer kruipen de koninginnen uit de grond. Ze worden gevolgd door de mannetjes om hoog in de lucht te paren. Het mannetje dat het hoogste vliegt bevrucht de koningin. Op de grond weer aangekomen ontdoet de koningin zich van haar vleugels en legt in een holletje onder de grond eieren. Uit de eieren komen larven, een soort wit rupsje zonder poten. Deze verpoppen zich na een paar dagen en heten dan cocon. In de cocon wordt de larve een pop. Na een tijdje kruipt er uit de cocon een mier.  Na het bevruchten van de koningin door de mannetjes vallen deze, na gedane arbeid,  op de grond en gaan dood, tenzij ze al eerder opgegeten zijn in de lucht door bijvoorbeeld meeuwen.

Als de nieuwe kolonie geleidelijk aan gaat  groeien beginnen de werksters met het graven van gangen en kamers en na verloop van tijd ontwikkelt zich hetzelfde ritueel van voren af aan.

Rode bosmieren in de duinen
De Rode bosmieren die op Voorne in de duinen voorkomen zijn van een ondersoort waarvan de kaken niet sterk genoeg zijn om door onze huid heen te bijten. Je kan daarom als gids diepe indruk maken op de excursiegasten door je hand voorzichtig op het nest te leggen waardoor een stel agressieve soldaten (dat zijn ook gewoon vrouwelijke werksters met als taak het verdedigen van het nest) op je hand gaan zitten en flink proberen te bijten. Je kan dat goed laten zien aan je excursiegasten. Je ziet  dan (en voelt ook wel) dat de mieren eerst bijten en dan hun achterlijf tussen de poten door naar de bijtplek buigen om daar vervolgens mierenzuur in te spuiten. Dit doet echter geen pijn en het mierenzuur komt ook niet in het wondje (want er is geen wondje). Veel mensen geloven dat niet, maar je kan het echt zelf doen. Dit lukt overigens alleen in de duinen en bijvoorbeeld niet op de Veluwe want die mieren hebben kaken die wel sterk genoeg zijn. Laat het vooral ook niet proberen door kinderen, want hun huid is meestal niet sterk genoeg en dan doet het natuurlijk wel zeer. Als je zo een paar keer bent gebeten en besproeid met mierenzuur dan kan je de excursiegasten aan je hand laten ruiken. Die stinkt dan behoorlijk naar azijn.

Ferdinand van Helden