Het ree

Capreolus capreolus

Op een prachtige avond in het voorjaar besloot ik op de fiets naar het Bezoekerscentrum te gaan om een heel interessante lezing van Adrie van der Heiden over kerkuilen bij te wonen. Heen was het nog licht en ik genoot met volle teugen van het opbloeiende leven in onze prachtige polder. Mijn avond kon eigenlijk al niet meer stuk. Op de Duinzoom, net voor “De Duinhuisjes” werd mijn blik getrokken door iets bruins in een tuin bij een huis. Eerst dacht ik dat het een herdershond was, maar tot mijn grote verbazing zag ik dat het een prachtige reebok was. Verbaasd stond hij mij aan te kijken.

Hij zag er prachtig uit met zijn roodbruine vacht (vandaar de naam roodwild!), zwarte neus met witte kin, mooie zwarte ogen, grote oren en een rechtopstaand gewei. Aan de achterkant had hij nog een heel klein staartje en een witte staartvlek. Ook wel spiegel genoemd. Nou wist ik dat je aan de vertakkingen van het gewei kon zien hoe oud het dier was, maar hoe dat precies zat wist ik niet meer. Een goede reden om de boeken (ja, ik ben nog vrij ouderwets en maak gebruik van boeken  i.p.v. internet) weer eens in te duiken.

Zo kwam ik erachter dat een reegeit geen gewei draagt en kleiner is dan de bok. In juli-augustus vindt de bronst (paring) plaats bij de reeën. In deze tijd vind je ook de zogenaamde reeringen. Dit is een open kale vlakte rond een boom of bosje. De bok schrapt hier in de buurt de bast van de jonge bomen en krabt in de grond. De geit van zijn voorkeur fiept (onophoudelijk gepiep, is door mensen bijna niet te horen) en wordt door de bok achterna gezeten rond het bosje. De hoeven laten een cirkel in de aarde achter en zo ontstaat er weer een reering. Na de paring gebeurt er niets met de bevruchte eicellen. Dit wonderbaarlijke verschijnsel noemen we “verlengde draagtijd”. Het ree is het enige hoefdier met kiemrust. Pas eind december gaan de cellen zich delen en na ongeveer 144 dagen wordt het kalfje of de kalfjes in een “leger” (soort bed van takjes en gras) geboren.

Het is dan inmiddels mei/juni geworden en er is volop voedsel voor de zogende moedergeit. De kalfjes met hun bruinig zwarte vacht met rijen witte vlekken op de rug en flanken kunnen een paar uur na de geboorte al staan en worden door de moeder apart verstopt en blijven hier doodstil liggen tot de moeder terugkomt om ze te laten zogen. Ze worden in het begin 6–10 keer gezoogd. Later slechts 2-3 keer. Dit is voor de kalfjes een heel gevaarlijke tijd. Loslopende honden kunnen ze opjagen met de dood tot gevolg. Ook onwetende mensen die zo’n jong kalfje vinden denken vaak dat het verstoten is door de moeder en brengen het naar een opvangcentrum. Niet doen dus! Zo’n kalfje ook nooit aanraken, want de moeder verstoot het onherroepelijk als jouw geur er aan zit. Na 14 dagen brengt de geit haar kalfjes naar open terrein en voegt zich weer bij de bok.

De zoogtijd duurt tussen de 6–10 weken en de kalfjes verliezen tegen die tijd hun schattig Bambilook, dwz. de vlekjes verdwijnen. In februari begint bij de bokjes het eerste gewei van onvertakte spiezen te groeien. Als hij nog maar 2 knopjes heeft nemen we hem “knopbok”. In juni is dit gewei volgroeid. Nu heet de bok een “spitser”. In november/december wordt het oude gewei afgeworpen. Het volgende gewei is gevorkt en heeft een korte tak, die naar voren gericht is. De bok heet nu “gaffelbok” en het jaar daarna volgt na de afwerping van het oude gewei het volgroeide gewei, nl. de “zesender”. Aan elke stang zitten nu drie punten. Toch zegt het aantal vertakkingen niet alles over de leeftijd van het dier. Erfelijkheid en conditie spelen ook een grote rol bij de ontwikkeling van het gewei. De jongen blijven tot de volgende worp bij de moeder en worden dan weggejaagd om op eigen benen te gaan staan. Na ongeveer 14 maanden zijn ze geslachtsrijp en gaan op zoek naar een partner.

Reeën leven in kleine families bij elkaar (sprong), maar ook solitair. Zeker in de bronsttijd, want dan heeft de bok een eigen territorium dat vaak het terrein van één of meerdere vrouwtjes overlapt. Ze leven hoofdzakelijk in de schemering, maar worden in de zomer ook wel overdag gezien. Ze bewegen geruisloos en vaak met grote sprongen, schuilen in struikgewas en kunnen zelfs goed zwemmen. Het zijn echte knabbelaars en leven van twijgen, eikels, gras, bessen, boomknoppen en blaadjes, paddenstoelen, landbouwgewassen (schade!). Het zijn herkauwers, dwz. dat ze grazen (sorry bij een ree heet dit laveien), slikken door en later wordt het eten weer opgebraakt en gekauwd.

Ook zijn ze trouw aan hun gebied en kunnen wel 20 jaar oud worden. Maar meestal halen ze slechts de 7 tot 8 jaar. Vooral het verkeer eist de nodige slachtoffers, zeker nu er steeds meer reeën in de polder en het binnenland voorkomen. Ook de jacht is hier deelgenoot aan. Wist u dat pas in 1940 het eerste ree gespot is in het Voornes Duin. Dat kun je je nu niet meer voorstellen.

Dit jaar wordt het aantal reeën in Nederland geschat op ±110.000 stuks. De kans dat je er eentje tegenkomt tijdens een wandeling in de duinen of al fietsend in de polder is dus best wel groot. Maar je moet er wel naar zoeken! Soms kun je ze ook horen. Ze produceren een waarschuwend geblaf. Wilt u dit een keertje horen ga dan begin mei met een vroege vogelexcursie van Hans op den Driesmee. Succes verzekerd! Bij angst laat het ree een trillend hoog geschreeuw horen. Maar dat is niet zo leuk om te horen.

Hoe dan ook, mijn ontmoeting met een prachtige reebok heeft dit stukje tot gevolg gehad. Bovendien weet ik nu veel meer over reeën en ben ik er achter gekomen dat mijn reebok een zesender was. Verder raad ik iedereen aan goed om zich heen te kijken, want voor je het weet spot je een ree en is je dag gelijk weer goed. En zie je geen ree, dan is er nog veel meer fraais buiten te zien. Maar je moet het natuurlijk wel willen zien!

Gerda Hos