Heemtuin Tenellaplas

vogelnestje

De heemtuin Tenellaplas is in 1949 aangelegd door landschapsarchitect Cees Sipkes. Sipkes was voor die tijd betrokken bij de aanleg van Thijsse’s Hof te Bloemendaal.
 
De plek  waar de heemtuin is aangelegd heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog dienst gedaan als opslagplaats voor oorlogsmaterieel. Na de oorlog lag het gebied er troosteloos bij.
Sipkes heeft met behulp van een zandzuiger de plas laten maken en met het zand wat daarbij vrij kwam zijn de duintjes in de heemtuin gevormd.
 
Het doel van Sipkes was om alle kenmerkende biotopen uit het duingebied bij elkaar te brengen en iedereen die dat maar wilde te laten genieten van de bijbehorende flora.
Zo vindt u naast de plas drassige oevers, weiden, droge zandhellingen, struweel en bos.
 
De heemtuin herbergt nu een rijke flora waarbij de variatie aan orchideeën het meest opvalt. Er valt echter meer te genieten:
 
Er staan meer dan 300 plantensoorten in de heemtuin. Het aantal paddestoelen neemt toe. Daarnaast trekt de variatie aan bloemen ook vele soorten vlinders en libellen aan. ’s Nachts jagen de vleermuizen boven het water en in de heemtuin.

 

Bijenhotel in de heemtuin

Vlakbij het Bezoekerscentrum staat in de heemtuin een bijenhotel. Dit hotel biedt wilde bijen een nestplaats aan voor het leggen van eieren.

Als we over bijen spreken denken velen van ons direct aan de honingbij en aan hommels. Er komen echter vele soorten bijen voor van verschillende grootte en kleur van de beharing. In Nederland kennen we 246 soorten bijen, sociaal levende, solitair levende bijen en koekoeksbijen.
In dit geval beperken wij ons tot de solitair levende insecten (ongeveer 200 soorten).
De vrouwtjes doen het grote werk, zij bouwen het nest en zorgen voor de nakomelingen. Met dit karwei zijn ze zo twee maanden bezig en overlijden daarna. De mannetjes bevruchten de vrouwtjes en genieten nog een maand van het leven.

Nesten worden gebouwd in zelf gegraven holletjes in de grond (door de meeste soorten), in graspollen, tussen stenen, in gaatjes van muren, in hout of in holle stengels van planten zoals van bramen, vlier en riet. Meestal zijn dat een aantal cellen. In iedere cel wordt een eitje gelegd en voedsel toegevoegd, een mengsel van stuifmeel en nectar (honing). Elke cel wordt afgesloten met een mengsel van grond en speeksel. Sommige soorten bekleden de cellen met stukjes blad van struiken. Men kan dat waarnemen als de bij met het blaadje tussen de kaken komt aanvliegen.
Het voedsel wordt verzameld tijdens het bezoek aan bloeiende planten. Deze worden dan al doende bestoven met het stuifmeel dat aan de beharing van de bijen kleeft.
De ontwikkeling van de larven duurt niet lang, afhankelijk van de weersomstandigheden en de hoeveelheid voedsel die de vrouwtjes hebben kunnen verzamelen. De larven verpoppen zich en na ongeveer tien maanden verschijnen de volwassen bijen. Bij sommige soorten kan dit proces slechts enkele weken duren, bij andere soorten bijna twee jaar.

Solitaire bijen komen van maart tot in oktober voor, vooral in het vroege voorjaar en de nazomer. In de zomer het minst. Vooral met zonnig en warm weer is de activiteit het grootst.
Het bijenhotel levert huisvesting voor de wilde bijen die in hout en in holle rietstengels hun woonruimte zoeken. Men kan daar de activiteiten van deze insecten waarnemen.

De heemtuin heeft vele mogelijkheden voor huisvesting en het gehele seizoen zijn er voldoende bloeiende planten als leveranciers van stuifmeel en honing. Vooral daar waar gebrek is aan deze twee voorwaarden, zoals op vele delen van het platteland en in de steden, kunnen bijenhotels van dienst zijn. Dat is van belang daar vele wilde bijen in ons land tot bedreigde diersoorten moeten worden gerekend.

Bart Lensink                        25-11-2009