Groot koolwitje

Pieris brassicae

groot koolwitje rups groot koolwitje

Het Groot koolwitje, een dagvlinder uit de familie witjes, is een zeer algemene vlinder met een vleugellengte van 28 - 32 mm die overal in Nederland voorkomt en die grote afstanden kan afleggen. De basiskleur van de vlinder is wit en zowel het mannetje als het vrouwtje hebben een zwarte voorvleugelpunt. Het vrouwtje heeft daarnaast nog twee grote zwarte vlekken op de bovenkant van de voorvleugel. De vleugelschubben bevatten pterine, dat niet alleen een kleurpigment is, maar ook dient als vraat werende stof. Witjes zijn daardoor niet erg geliefd bij vogels.

Het Groot koolwitje is van april tot september waar te nemen en vliegt in twee, soms drie, generaties. Ze drinken nectar van een groot aantal verschillende kruiden en struiken, zoals rode klaver, vlinderstruik en verschillende soorten distels. Mannetjes die naar een vrouwtje zoeken, patrouilleren vooral.

Net als andere koolwitjessoorten heeft ook deze soort verschillende waardplanten zoals diverse gecultiveerde en wilde kruisbloemigen waaronder koolsoorten, Judaspenning, Look zonder look en Zandraket.

De eitjes worden in groepen afgezet, volgens een vast patroon. Het vrouwtje vliegt in een bijna rechte lijn, waarna ze plotseling van richting verandert. Dan landt ze op een blad, waarna ze met de voorpoten op de bovenzijde van het blad trappelt. Op deze manier merkt het vrouwtje of er al andere eitjes op zijn gelegd; de eitjes scheiden namelijk een eilegremmende geurstof af. Als er al eitjes aanwezig zijn, dan vliegt ze verder. Zijn er geen eitjes aanwezig, dan buigt het vrouwtje het achterlijf om de bladrand heen en raakt daarmee de onderkant van het blad aan. De eitjes worden een voor een zodanig geplaatst dat er een dicht pakket op de onderkant van het blad ontstaat.

Zo vormen de rupsen een flinke groep, die een kaalslag aan de planten veroorzaken. Rupsen van het Groot koolwitje eten vooral van de buitenste (kool)bladeren, terwijl die van het Klein koolwitje helemaal tot het hart van de koolplanten dooreten. De tamelijk lang behaarde rupsen zijn zwart met gele strepen en vlekken. Deze kleur betekent in de natuur een teken van waarschuwing aan het adres van vogels en andere insecteneters dat ze uitermate giftig zijn. De rupsen halen zwavel uit de koolplanten en slaan dit op zodat ze voor vijanden onaantrekkelijk en oneetbaar zijn. Pas in het laatste rupsenstadium gaan ze solitair leven. Ze kunnen worden geparasiteerd door sluipwespen.

De kleur van de pop kan variëren naar gelang de kleur van de ondergrond. Op een rode bakstenen muur (waartegen de pop vaak overwintert) wordt de pop lichtroze en op een groen blad meer gelig/groen. De pop is via een zijden draadje en gordel vastgemaakt, zoals bij alle witjes. Groot koolwitje overwintert als pop.

Bronnen: Nederlandse Soortenregister, Wikipedia, Vlinderstichting.

Karin Brouwer