Gewone oorworm

Forficula auricularia

gewone oorwormGewone oorwormen zijn kleine keverachtige dieren met een duidelijke tang aan de achterkant. Ze behoren tot de onderklasse van de gevleugelde insecten Ze kunnen tot 16 mm groot worden. Ze hebben een wereldwijde verspreiding. Oorwormen verstoppen zich overdag. Planten vormen goede schuilplaatsen, bijvoorbeeld tussen bladeren of in zaaddozen. Tijdens de schemering en 's nachts komen ze tevoorschijn om voedsel te zoeken.

De Gewone oorworm eet graag plantendelen zoals vruchten en bloemen. Deze raken daardoor beschadigd. Ook kleine dieren zoals rupsen en bladluizen worden door de Gewone oorworm genuttigd.

De tang aan het achtereind is een multifunctioneel stuk gereedschap. Het is bedoeld als verdedigingswapen om soortgenoten de wacht aan te zeggen. Voor mensen niet echt gevaarlijk. Ook wordt de tang gebruikt als vork bij het eten en na het vliegen worden met behulp van de tang beide vleugels weer opgevouwen.

In de herfst is de paartijd. Bij de paring schijnt die tang handig te zijn voor het mannetje om het vrouwtje letterlijk ‘in de tang’ te houden. Na de paring trekken de Gewone oorwormen zich terug in een hol of spleet om te overwinteren. In het voorjaar legt het vrouwtje meestal 40 tot 50 eitjes. Het wijfje is een van de weinige insecten dat blijk geeft van moedergedrag. Ze bewaakt en zorgt voor het legsel en in de eerste levensdagen waakt ze over haar jongen en brengt ze hen voedsel. De jongen (nimfen) zoeken in de buurt naar voedsel, maar keren steeds weer naar de moeder terug. Ongeveer na de tweede vervelling gaat ieder zijns weegs. Indien de moeder eerder komt te sterven wordt zij vaak opgegeten door haar eigen jongen. Het mannetje heeft dan al het nest verlaten.

De Nederlandse naam Gewone oorworm is in twee opzichten onjuist: Gewone oorwormen zijn géén wormen en zijn evenmin aangepast aan een verblijf in het oor van dieren of mensen. Omdat ze dikwijls in nauwe spleten aangetroffen worden, werd wel gedacht dat ze zich in de gehooropening van mensen ophielden. Ook deden er verhalen de ronde over Gewone oorwormen die zich door het trommelvlies heen aten en eitjes legden in de hersenen. Later ontstond ten onrechte het volksgeloof dat Gewone oorwormen graag in je oor kruipen. Een meer aannemelijke verklaring van de naam is dat de vorm van de open gespreide vliezige vleugels een gelijkenis vertoont met het menselijk oor. Gewone oorwormen zijn echter nooit parasitair en kunnen zich niet handhaven in andere levende dieren.

De Gewone oorworm werd in vroeger tijden als traditioneel medicijn tegen doofheid gezien. De gedroogde en gemalen Gewone oorwormen werden vermengd met hazenurine. De zo ontstane 'oorwormolie' diende vervolgens in het oor te worden aangebracht.

De vermeende gewoonte om in oren te kruipen is in de naamgeving van de groep in veel talen terug te vinden. In het Duits worden ze "Ohrwürmer" genoemd en in het Engels "earwigs".

Gewone oorwormen hebben in Nederland namen die per dialect verschillen. Ze voeren vaak terug op het kruipen in de oren of de lichaamsaanhangsels. In het Fries worden Oorwormen wel aangeduid met earkekrûper, foarkestekker, knypsturt, eartyk en knyptange. In Drenthe (Nedersaksisch) als knieptange en in de Achterhoek met gaffeltand. In het West Vlaams spreekt men van een oorelbeeste. In het Urks dialect is de aanduiding skallebieters.

gewone oorworm gewone oorworm

Jos de Ruyter                                                                                                  

Bronnen:
Beesies.nl
Willem Wever Vlinders en insecten

Wikipedia
Grote dieren encyclopedie
Readers Digest: vlinders en andere insecten.
Soortenbank.nl