Geoorde fuut

Podiceps nigricollis

geoorde fuutKleiner dan gewone Fuut. In prachtkleed kop, hals en bovenzijde zwart. Waaier van goudgele pluimen achter rood oog. Kruinveren iets verlengd. Flanken kastanjebruin, onderkant wit. Winterkleed bovenste helft kop zwart tot onder het oog (kuifduiker tot aan het oog). Onderste helft kop wit. Voorkant hals grijs met wit, achterkant grijsbruin. Bovenzijde zwartbruin, onderzijde wit. Opgewipt snaveltje.

Van maart-april tot begin augustus treffen we de Geoorde fuut aan in zijn broedgebied. Dat bestaat uit ondiepe (duin)meren, plassen en vennen met oevervegetaties. De aantallen broedparen in Nederland fluctueren en schommelen in goede jaren rond de 500. Kerngebieden zijn de Drentse en Noord-Brabantse vennen, maar ook in het Quakjeswater op Voorne komen deze mooie vogels voor. De Geoorde fuut broedt vaak in gezelschap van kokmeeuwen.


Vanaf juli worden de broedgebieden verlaten. Overwintert op open, ijsvrije meren en langs kustwateren. ’s Winters langs West-Europese kust, Adriatische Zee, Kaspische Zee, Zwarte Zee en Middellandse Zee. In Nederland vooral Grevelingen, Veerse Meer en elders in de Delta. Aantallen tot soms wel rond de 8.000 vogels.
Leefgebied
Het luistert nauw bij de broedgebieden van de Geoorde fuut. De soort broedt in kleine, ondiepe wateren die rijkelijk begroeid zijn en voldoende voedsel, vooral insecten en hun larven, bieden. Daarnaast bieden de oevers veilige, beschutte nestgelegenheid in bijvoorbeeld riet of zegge. Als broedvogel kan de Geoorde fuut sterke schommelingen vertonen, samenhangend met veranderingen in de waterstand. Onder droge omstandigheden blijven broedgebieden vaak verstoken, of broeden er kleinere aantallen. In de winter op grote meren en op zout water (ondiepe kustzone, estuaria).


Broeden
Broedperiode van half april tot half juli. Meestal koloniebroeder, soms ook een paar broedparen bij elkaar of solitair. Ze broeden vaak samen met kokmeeuwen. Eén legsel, soms twee met gemiddeld 3-4 eieren. Broedduur 20-21 dagen. Nest is een vlotje van plantaardig materiaal, verankerd aan watervegetatie. Nestplaats in ondiep water, verborgen tussen Riet of zegge. Jongen komen niet tegelijkertijd uit. Jongen worden op de rug gedragen en warm gehouden en zijn na 4-6 weken zelfstandig.


Voedsel
Hoofdzakelijk insecten en hun larven. Afhankelijk van de plaats en tijd van jaar ook schelp- en schaaldiertjes, amfibieën en kleine vis. Voedsel wordt van wateroppervlak gehaald of duikend. Ook vliegende insecten.

Bronnen: vogelbescherming nl.; vroegevogels.vara.nl

Hans Vermeulen