De Egel

Erinaceus europaeus

egel  

De Egel is een algemeen, wijdverbreid zoogdier uit de familie der Egels. Het is weliswaar een bekende verschijning in tuinen in West-Europa maar hij is beschermd en mag niet gegeten of in gevangenschap gehouden worden.

De rug van de Egel is bedekt met ongeveer 6000 stekels van 2-3 cm en bij bedreiging rolt hij zich op tot een bal. Deze stekelige bal vormt een goede bescherming tegen natuurlijke vijanden zoals de Das en de Vos. Hij wisselt zijn stekels zelden en onregelmatig, gemiddeld gaan stekels zo'n 18 maanden mee. Er zit vaak een kenmerkend patroon in hun stekels.

Ze eten ongeveer 70 gram voedsel per nacht wat hoofdzakelijk bestaat uit naaktslakken, wormen, insecten, kevers en rupsen soms aangevuld met jonge knaagdieren, kikkers en hagedissen. Beweringen dat hij slangen kan doden zijn nooit bewezen. Bijvoeren kun je beter niet doen en zeker niet het bekende schoteltje melk want de lactose hierin bezorgt ze hevige diaree. Honden of kattenvoer sluit dan beter aan op zijn natuurlijke voedsel.

De Egel leeft alleen en graag in bosranden waar bos en weiland samen komen, en in tuinen, maar komt ook in de duinen voor mits ze begroeid zijn. Ze paren in mei juni en de draagtijd bedraagt 31 tot 35 dagen waarna de dove en blinde jongen geboren worden. De jongen worden 4 tot 6 weken gespeend en daarna moeten ze zich zelf weten te redden. Ze worden gemiddeld 4 tot 7 jaar oud.

In de herfst als de temperatuur daalt en het voedselaanbod schaars wordt, gaat de Egel in winterslaap. Hij bouwt voor de winterslaap een nest van gras en bladeren. De meeste Egels wisselen meerdere keren van nest in de winter. Een van de belangrijkste doodsoorzaken naast het verkeer is het verhongeren tijdens de winterslaap.

Onbekende stoffen of nieuwe geurtjes onderzoekt de Egel met het zogenaamde 'Orgaan van Jacobson' dat ook bij slangen en hagedissen zeer goed ontwikkeld is. Het is een extra zintuig dat tussen het gehemelte en de neusholte ligt. In speciale cellen worden adem en speeksel op nieuwe geur- en smaakprikkels onderzocht. Eerst beknaagt of beruikt de Egel de nieuwe stof met grote aandacht, dan produceert hij enorme hoeveelheden speeksel. Als hij echter eenmaal de zintuiglijke ervaring heeft verwerkt, dan spuugt hij het speeksel op zijn rug terwijl hij zich in de vreemdste bochten wringt. Het orgaan is nu weer schoon en klaar voor verdere nieuwe prikkels. (Het zichzelf 'bespeekselen' is helaas in veel gevallen met rabiës (hondsdolheid) verwisseld. Van deze gevaarlijke ziekte hebben Egels echter juist bijzonder weinig last.)

Jan Pluim