Bruinvis

Phocoena phocoena

bruinvisBij een jaarlijkse telling (2010) in de Oosterschelde werden 37 bruinvissen waargenomen.  Al langer werd vermoed dat de populatie, die zich hier nu definitief gevestigd heeft, een gestage groei vertoonde.

Overigens doet dit zoogdier zijn naam geen eer aan, hij is namelijk nog bruin, nog vis. Vroeger, toen men nog niet zo veel van dieren wist, werd al snel alles wat in het water leefde vis genoemd en grauwe kleuren als bruin, grijs en zwart werden allemaal als bruin betiteld.

Onder de eerder genoemde populatie van 37 stuks bevonden zich 5 jongen die ook als kalfjes aangeduid worden.
De Bruinvis is een walvis- of dolfijnachtige, een in zee levend zoogdier met een maximale lengte van 1,80 meter en een gewicht van 60 kilogram.

Vooral bij windstil weer zijn in de Oosterschelde op een zonnige dag groepjes van 5 tot 10 bruinvissen te spotten die zich verraden door af en toe met hun driehoekige rugvin boven water te komen voordat ze met hun platte staartvin in een soepele beweging weer even onder water verdwijnen. Ze kunnen net als een dolfijn uit het water springen, maar doen dit vrijwel nooit

Over de trekbewegingen van de Bruinvis is weinig bekend maar de verschillende populaties hebben vermoedelijk eigen zomer- en winterverblijven die afwisselend bezocht worden.

Ze leven alleen of in kleine groepen van 2 tot 10 dieren en incidenteel in grotere groepen tot enkele tientallen dieren.
Ondiep zeewater tot maximaal 200 meter heeft hun voorkeur met een temperatuur van niet hoger dan 17º Celsius.
Ze zijn beslist niet zeldzaam, geschatte aantallen in de Noordzee lopen uiteen van 100.000 tot 500.000 exemplaren.

De soort komt veel in de Nederlandse kustwateren voor, vooral in de wintermaanden en het vroege voorjaar. Na een dip en zelfs totale verdwijning in de periode vanaf 1950 werden vanaf 1985 weer kleine groepen gezien en sinds 2000 neemt het aantal snel toe.

Bruinvissen eten kleine levende dieren zoals vissen, garnalen etc. Deze vinden ze met behulp van echolocatie.

Bron: Wikipedia, aangevuld met eigen waarnemingen

Bert Kleijn