Boomblauwtje

Celastrina argiolus

boomblauwtje boomblauwtje                                          
Boomblauwtje Boomblauwtje

Het Boomblauwtje is een nogal klein vlindertje met een spanwijdte van ongeveer 30 mm. Zoals de naam al doet vermoeden voelt het zich het beste thuis in en nabij bomen en struiken. Daarom zie je het Boomblauwtje behalve aan bosranden, ook regelmatig in tuinen en stadsparken, op ongeveer 50 cm hoogte. Vanaf midden april tot begin juni en begin juli tot eind augustus.

Het is een vlinder die ondanks zijn tengere voorkomen redelijk grote afstanden kan overbruggen om een nieuw leefgebied te zoeken. Hij gebruikt hiervoor de rechte lijnen in het landschap, zoals bijvoorbeeld bospaden of bosranden. In dichte bossen worden diverse soorten vlinders op weg geholpen door middel van vlinderwegen. In een rechte lijn worden bomen gekapt waardoor een Schneise (sleuf) ontstaat. Een bospad alleen geschikt voor vlinders en andere diersoorten, onbegaanbaar voor de mens!

Het Boomblauwtje leeft van honigdauw, op Klimop en Vuilboom. De bovenkant van de vleugels is bij het mannetje waterig lichtblauw met smalle zwarte randen en bij het vrouwtje lichtblauw met brede zwarte randen. Bij dichtgeklapte vleugels zie je goed de zwarte ‘inktspetters’ op de onderkant van de vleugels. Deze vlinder heeft als enig blauwtje geen oranje in zijn vleugels!

Het Boomblauwtje is slechts een kort leven beschoren; na ongeveer 14 dagen zit zijn leef-tijd erop. Maar het heeft niet stilgezeten: grote afstanden zijn afgelegd, de partner is gezocht en gevonden, de 40 tot 70 eitjes één voor één afgezet op een waardplant, doorgaans Vuilboom, Klimop, Hulst of Wilde kardinaalsmuts.

De rupsen die na ongeveer een week uit de eitjes komen genieten een zekere mate van bescherming door mieren. Deze zijn namelijk dol op de zoete vloeistof die de rups uitscheidt (rups wordt niet meegenomen het mierennest in)! De rupsen kunnen worden geparasiteerd door een klein wespje: Listrodomus nycthemerus. De rupsen bevinden zich onder de bloemhoofdjes, van in eerste instantie Hulst en in de zomer van Klimop, Kattenstaart, Wilde kardinaalsmuts. Na drie tot vier weken verpopt de rups zich in 18 dagen tot vlinder. De laatste generatie overwintert als pop in het afgevallen blad van de waardplant.

Dus voordat je in de tuin in het najaar het snoeiafval van Klimop of bladeren in je tuin opruimt, bedenk dan dat het zonde zou zijn als een toekomstige lente-generatie boomblauwtje in de GFT-bak zou belanden.

Bronnen: Zakgids dagvlinders voor Nederland en Vlaanderen, Veldgids dagvlinders,Vlinderstichting.nl, Nature Today

Karin Brouwer